Europa bleef thuis

HET WAREN DE verkiezingen van de thuisblijvers en van de oppositiepartijen. De opkomst bij de verkiezingen voor het Europese parlement vertoonde door de bank genomen een laagterecord, de in Europa regerende socialistische partijen zijn voor hun inspanningen niet altijd beloond. In het parlement vormt rechts van nu af het grootste blok alhoewel fractievorming nog voor verrassingen kan zorgen. Zo is onduidelijk hoeveel Britse Conservatieven (zegevierend en fel anti-Europees) zich zullen willen werpen in de armen van de Duitse christen-democraten (zegevierend en hartstochtelijk pro-Europa). De zaak wordt verder gecompliceerd doordat ook de voormalige Italiaanse neofascisten belangstelling tonen voor coalitievorming op de rechter flank.

Het is inmiddels gewoonte geworden om een teleurstellende opkomst bij verkiezingen te kwalificeren als gebrek aan belangstelling voor de politiek, in dit geval de Europese politiek, en dus als vergroting van het democratische tekort. Tegelijkertijd worden de verhoudingen op het nationale speelveld als toonaangevend gezien voor verkiezingen op Europees niveau – hetgeen logischerwijs de opkomst had moeten bevorderen. Opvallend is dat de resultaten van de jongste verkiezingen elkaar lijken tegen te spreken. De lage opkomst getuigt niet van overtuigde en overtuigende belangstelling, maar de winst voor oppositiepartijen toont drang naar vernieuwing en verandering, toont interesse in het uitbrengen van een bewuste stem. Vooral de opmars van de Groenen in Frankrijk, Nederland en België wijst in die richting. De Franse Groenen hebben, in tegenstelling tot de Duitse, niet geleden onder het feit dat zij meeregeren.

DE MEEST DESASTREUZE uitslag treft België waar tegelijkertijd verkiezingen voor het nationale en voor de gewestelijke parlementen werden gehouden. De federale coalitie van Waalse en Vlaamse socialisten en christen-democraten dolf het onderspit tegen een oprukkende falanx van (vooral Vlaamse) liberalen, Groenen, Volksunie en Vlaams Blok. Aangezien er meer dan twee stromingen nodig zijn om een meerderheid te vormen en de taalcesuur gemakkelijk voor automatische verdubbeling van het aantal deelnemers aan een coalitie zorgt, staat België nu voor een bestuurlijke impasse. Het ancien régime onder leiding van premier Dehaene is wegens herhaald bewezen incompetentie – affaire-Dutroux, dioxinekippen – naar huis gestuurd, wat resteert kan alleen worden omschreven als versplintering. Zelfs de liberalen, inmiddels de grootste partij in Vlaanderen, konden zich gisteren niet opwerken tot feestvreugde. De verantwoordelijkheid die op hen is neergedaald, valt nauwelijks te dragen.

Ook in Nederland is de linkse oppositie verder komen opzetten, het nog maar net heropgerichte paars probeert daarvan niet onder de indruk te raken. Was er bij het aantreden van Paars II veel sprake van een centrum-links alternatief dat zich met Groen Links en SP in het parlement zou hebben genesteld, zo kort na de inspanning van de drie coalitiepartijen om paars overeind te houden lijkt dat alternatief er voorlopig niet serieuzer op geworden. Het argument van de lage opkomst keert zich in Nederland tegen de geloofwaardigheid van de uitslagen en daarmee tegen de successen ter linker zijde.

IN DE EUROPESE balans weegt mee dat New Labour en de Neue Mitte aan glans hebben verloren. De overweging dat de socialistische aanhang zo tevreden was dat ze maar is thuis gebleven, is vermoedelijk geen juiste afspiegeling van de werkelijkheid. Noch het heldhaftige optreden van premier Blair in Kosovo, noch de fijngesponnen diplomatie van kanselier Schröder in dezelfde kwestie leverde dividend op. Het nationalisme van Thatcher in de Falkland-oorlog en het Europees leiderschap van Kohl waren kennelijk te persoonsgebonden om met enig succes te worden nagedaan. De teleurstelling zal des te harder zijn aangekomen omdat `Kosovo' nu juist bij uitstek een onderwerp scheen waarop politici zich in Europese verkiezingen moesten kunnen profileren. De derde weg is al met al in opspraak geraakt. De Franse socialist Jospin zal er niet rouwig om zijn. Hij kon er toch al geen touw aan vastknopen.

De beloftes van politici van allerlei pluimage dat men het in het vervolg beter wil doen, overtuigen niet. Voorzover de politieke afzijdigheid Europese kenmerken heeft, moet worden gewezen op de slag in de lucht die verkiezingen voor het Europese parlement nu eenmaal zijn. Uit de uitslag komt geen Europese regering voort in de politieke zin van dat begrip. Pogingen om de Europese Commissie te politiseren zijn tot mislukken gedoemd zolang de commissarissen niet meer zijn dan door de regeringen van de lidstaten benoemde ambtenaren. Het opzienbarende en voorbarige aftreden van de laatste Commissie heeft de Europese kiezer niet bovenmatig weten te beroeren.

WIE MET HET Europese parlement verder wil, zal werkelijk Europese verkiezingen met Europese kieslijsten mogelijk moeten maken. Partijen zullen zich dan op Europese grondslag moeten formeren. De Duits-Franse Groenenaanvoerder Cohn-Bendit heeft in de afgelopen maanden laten zien hoe een grensoverschrijdende campagne wordt gevoerd. Het is niet toevallig dat hij opereerde voor een groepering wier thema per definitie bovennationaal is. Het is bovendien niet ondenkbaar dat een opleving van de Europese politiek een renaissance van de nationale politiek tot gevolg zal hebben.

Klagen over de opkomst helpt niemand verder. De kiezer heeft gelijk, zelfs als hij wegblijft. Geef hem een reden om naar de stembus te komen.