De veerkracht van `de eerste stem'

Voor eens en altijd wilde Poetry International alle Nederlandse dichters - zo'n vierhonderd - als een grote familie samenbrengen op een foto. Afgelopen zaterdag, bij de opening van het dertigste Poetry International, zou dit historische ogenblik plaatsvinden in het Prinses Theater in de Rotterdamse wijk Delfshaven. Velen gaven acte de présence, evenzoveel waren afwezig. Hugo Claus was er, Gerrit Kouwenaar en Gerrit Komrij ontbraken. Wie toevallig in de kring van poëten stond, werd opeens een dichter. Het hindert niet; het beeld is mooi van die paar honderd, allen hebben iets met poëzie of schreven ooit een vers.

Meer dan duizend dichters waren de afgelopen dertig jaar te gast op Poetry. Directeur Tatjana Daan noemde in haar openingsrede in de Rotterdamse Schouwburg poëzie `de eerste stem' en de schouwburg het `tijdelijk hoofdkwartier van deze eerste stem'. Ze verwees naar het vermaarde Love song of J. Alfred Prufrock (1917) door T.S. Eliot waarin de dichter de lezer uitnodigt mee te gaan met de woorden van dit gedicht, mee te dansen. Ondanks het geweld van de Eerste Wereldoorlog toont poëzie haar veerkracht. Dat laatste, `veerkracht', is de leidraad van Poetry. Paul van Ostaijen, met zijn bundel Music Hall uit 1916, is de eerste modernistische Nederlandstalige dichter. ,,Niet langer wilde hij in een ivoren toren blijven,'' aldus Daan. ,,Een dichter moet zijn stem laten wortelen in de maatschappij.'' Van Ostaijen deed dat: Music-hall is een feestelijke en ook grimmige hommage aan de grote stad met zijn leegte, verveling, straathoeken vol verleiding en revues.

Dode dichters zijn niet voorbij. In de foyer liggen enkelen van hen opgebaard, onder wie Gorter, Lorca, Pessoa, Goethe. Ga naast hen staan en uit hun dode mond klinkt poëzie. Kunstenaar Chaim Levano ontwierp bij de entree enkele `luistermuren'. Druk op een knopje en uit die muur komen bij wijze van eerbetoon de stemmen van inmiddels overleden dichters die eens Poetry bezochten: Lucebert, Faverey, Hillenius. Met zoveel besef van onvergankelijkheid lijkt de traditionele `Verdediging van de poëzie', de dichterlijke opening van het festival, overbodig. Kennelijk moet het toch weer, die verdediging van de eerste stem. Galsan Tschinag (Mongolië, 1940) is dichtervorst, heftig bewogen romancier en stamhoofd van de Toewenen, een nomadenvolk dat zwerft over de steppen tussen Rusland en Mongolië. Gekleed in een korenblauwe mantel hield hij voor westerse oren misschien een onwennige rede, vol mythische oerkrachten en een literaire overtuiging geworteld in de ruigheid van een ontzagwekkend berglandschap. Het was een moedige daad van deze sjamaan zonder een spoor van ironie grote woorden te gebruiken. Vuur en kracht moeten terugkeren in de poëzie, Tschinag betoogt dat de hedendaagse dichter teveel een `betrouwbare vazal' is geworden van de materiële wereld. ,,De geschiedenis leert ons: onpathetisch en zonder hartstocht waren altijd tijden van ondergang.''

Ondanks de ernst van Tschinag bood de opening van Poetry, in navolging van Van Ostaijens Music-hall, een mengeling van poëzie en vaudeville. Dichters lazen snel en kort achter elkaar voor, Bart Chabot presenteerde uitbundig. Het decor was theatraal vol lampjes en op elkaar gestapelde doosjes met spullen erin. De jonge Russische dichter Alexandr Leontjev gaf een krachtig ritmisch vers ten beste, de Amerikaanse begrafenisondernemer en dichter Thomas Lynch herinnerde ons eraan dat we allemaal eens een dood lichaam zijn, Hugo Claus liet zich met zijn immer zangrijke voordracht door een vriendelijke olifant inspireren tot een gedicht over het gemis: ,,Er is iets wat ik mis,/ ik weet wat het is/ maar ik wil het niet meer zoeken.''

Nog een hele week poëzie uit alle windstreken in de Rotterdamse Schouwburg. Dat Poetry International dit jubileum viert, zegt veel over de veerkracht van de poëzie. Galsan Tschinag verwoordt het zo: ,,Het leven is de dood/ in de vingers gaan zitten.''

Poetry International: Verdediging van de poëzie door Galsan Tschinag en Hedendaagse Music-Hall. Gehoord in: Rotterdamse Schouwburg, 12/6. T/m 18/6 . Reserveren: (010) 4118110.