Britse triomf verstoord door Russen en Serviërs

De Britten trokken gisteren de Kosovaarse hoofdstad Priština binnen, maar de Russen stalen de show met hun bezetting van het vliegveld. De Albanese inwoners van Priština zijn nog steeds bang voor Servische represailles.

Het scenario voorzag in een Britse triomftocht. Britse militairen zouden Priština, de hoofdstad van Kosovo, binnentrekken, toegejuicht door duizenden Albanezen die zich bijna drie maanden lang schuilhielden in huizen en kelders. De Britse premier Tony Blair had de NAVO-luchtaanvallen op Joegoslavië fanatiek gesteund, de etnische zuivering door Serviërs scherper veroordeeld dan andere Europese leiders, en hij had zelfs grondtroepen naar Kosovo willen sturen - the road to Pristina was voor hem.

Maar op zaterdagmiddag rijden de Britten, de eerste eenheden van de Navo-troepenmacht KFOR voor Kosovo, niet naar Priština. Ze slaan af naar het vliegveld buiten de stad, ze moeten langs bij de Russische militairen die de nacht ervoor het Britse feest, en de NAVO-plannen voor Kosovo, kwamen verstoren. De Russen waren vrijdagnacht al naar Priština binnengereden. Ze werden er opgewacht door duizenden Serviërs met bloemen en drank.

Op weg naar het vliegveld, waar de Russen hun kamp hebben ingericht, komen de Britten door Servische dorpen. Ze zien paramilitairen en een politie-commandant die zijn mannen het veld in stuurt om te vechten, ze rijden langs Albanese huizen die 's ochtends in brand zijn gestoken. Bij de ingang van het vliegveld moeten ze meer dan vijf uur wachten, in de regen. Dit is niet het verwachte helden-onthaal. Maar, zegt een luitenant uit Birmingham: ,,Duidelijk is het wel: we zijn hier niet voor niks.''

Zaterdagavond komen de Britten niet verder dan de rand van de stad. In Priština zelf staan Servische militairen op bijna iedere straathoek. 's Nachts wordt er heviger in de lucht geschoten dan andere nachten. Servische agenten arresteren journalisten die op een NAVO-accreditatie, maar zonder Joegoslavisch visum, met de NAVO-troepen zijn meegekomen.

Op zondagochtend rijden Britse tanks en jeeps eindelijk Priština binnen. Niet in lange colonnes, maar met twee, drie voertuigen tegelijk. Ze gaan in de buitenwijken staan, trekken na een paar uur wat verder naar het centrum. Op straat zijn 's ochtends bijna alleen maar Servische militairen en Servische burgers die hun spullen inladen om naar Servië te gaan. De NAVO, zeggen ze, komt het Kosovo bevrijdingsleger UÇK helpen, de Serviërs van Kosovo zullen worden afgemaakt.

Aan het eind van de ochtend komen de eerste timide Albanezen uit hun huizen, maar echt uitbundig zwaaien durven ze nog niet. Ze leggen bloemen op de Britse tanks, geven de militairen koffie en kersen, en vragen of de militairen van plan zijn 's nachts te blijven. Er heerst grote angst voor de terugtrekkende militairen en Servische burgers die zich klaarmaken voor vertrek naar Servië, maar eerst nog wraak willen nemen.

's Middags durven de Albanezen wat meer. Op de weg die naar Servië leidt, staan een paar honderd Albanezen. Ze dragen UÇK-symbolen, ze joelen, spugen en gooien stenen naar auto's en tractoren van vluchtende Serviërs. Britse militairen kijken toe. Na een half uur horen de Albanezen dat in een ander deel van de stad een Albanese vrouw door een Servische militair in haar been is geschoten. De wond blijkt van twee maanden geleden, maar het gerucht is genoeg: de meeste Albanezen in het noordelijke deel van de stad blijven de rest van de dag binnen.

Huizen waar internationale hulporganisaties voor de bombardementen hun kantoren hadden, zijn verwoest. Er is ook weinig overgebleven van huizen waar OVSE-waarnemers woonden. Albanese winkels en de restaurants waar veel buitenlanders kwamen, liggen in puin. Jazeker, zegt Marko Zakic (17), een Servische jongen, ,,Dat hebben Serviërs gedaan. We waren kwaad omdat Albanezen rijker waren dan wij en ook nog eens het Westen erbij haalden omdat ze van Kosovo een eigen republiek willen maken.'' Langs het door de NAVO - verwoeste politiebureau in het centrum van Priština loopt zondagochtend een Servische vrouw van een jaar of zeventig. Ze scheldt op Clinton die erger is dan Hitler, en op Miloševic die Kosovo weggaf aan de NAVO en aan de ,,Albanese beesten''.

In een buitenwijk van de stad horen Britse militairen zondagmiddag een explosie, in een huis zo'n driehonderd meter verder. Vanaf hun tank zien ze twee jongens die naar een zwarte Volkswagen Golf rennen en wegrijden. Het huis van een Albanees die naar Macedonië vluchtte, brandt. De Britse militairen maken foto's. Het is te laat om de daders nog te pakken.

Ook in andere wijken van Priština worden zondagmiddag Albanese huizen geplunderd en in brand gestoken. De Britse militairen grijpen niet in omdat Serviërs hebben straten hebben afgezet. Maar ze mogen schieten, zeggen ze. Aan het eind van de middag doen ze dat ook: de Servische reservist Veselin Jovovic wordt door Britten doodgeschoten, in het centrum van de stad. Volgens KFOR bedreigde de Serviër Britse militairen met zijn kalasjnikov. Het Servische mediacentrum in Priština laat weten dat Jovovic is geraakt terwijl hij een straat overstak: ,,Hij deed zijn hand omhoog en daarna werd hij doodgeschoten''.

Het vliegveld en de kortste weg erheen, door het dorp Kosovo Polje, worden gecontroleerd door Servische en Russische militairen. De KFOR-militairen moeten zo'n dertig kilometer omrijden om het vliegveld te bereiken. In de buurt van het vliegveld wordt zaterdagavond gevochten: Servische militairen bestoken dorpen waar UÇK-strijders zouden zitten die 's ochtends vier Servische burgers hebben gekidnapt en vermoord.

De inwoners van Kosovo Polje, waar de Serviërs in 1389 hun beroemde en hartstochtelijk gekoesterde nederlaag leden tegen de Turken, zijn doodsbang: volgens het akkoord tussen de NAVO en Belgrado moeten alle Servische leger- en politie-eenheden woensdag weg zijn. Niemand zal de Serviërs dan nog beschermen tegen `wreedheden' van de UCK-strijders. ,,Opnieuw zal er Servisch heldenbloed vloeien op de heilige grond van Kosovo'', voorspelt Goran Markovic, eigenaar van een kapperszaak in het dorp. Zijn zaak staat naast de orthodoxe kerk. Uit zijn broekzak haalt hij een pistool en handboeien. Hij zal zich verdedigen, hij hoort niet bij de `verraders' die nu hun televisie en bankstel inpakken en naar Servië gaan.

In café `Pallma' in Kosovo Polje zit zondagmiddag Stevo Golovic, een reservist uit Servië. Hij was twee maanden in Kosovo om `Albanese terroristen' uit te roeien. In Kosovo Polje zelf, waar voor de Navo-aanvallen nog zo'n veertig procent van de inwoners Albanees was en zestig procent Servisch, woont geen enkele Albanees meer. Ze werden verjaagd, hun huizen zijn verwoest. Maar tegen de NAVO konden de Servische militairen niet op, zegt Golovic. ,,Fuck you NATO'', bromt hij, maar hij glimlacht. Het is natuurlijk vreselijk, vindt hij, dat Miloševic Kosovo aan de Albanezen gaf. Maar prettig is het ook wel, dat hij naar huis kan.