VROUWTJESMAKAKEN ZEER GEÏNTERESSEERD IN ANDERMANS JONGEN

Weinig dieren zijn zo trots als een apenmoeder, met een pasgeboren jong weet zij zich het centrum van de aandacht in een sociale groep. Keer op keer willen andere vrouwtjes het jong bekijken en betasten, en vaak staat de moeder alle aandacht maar met tegenzin toe. Vooral vrouwelijke bavianen en makaken zijn extreem geïnteresseerd in jongen van anderen, terwijl ze er toch weinig directe zorg aan besteden. Waarom zijn jonge apen zo aantrekkelijk voor niet-verwante soortgenoten?

De Amerikaanse primatologe Joan B. Silk heeft de vorm en functie van de omgang met jongen bij Indische kroonapen (Macaca radiata), een makaak die voorkomt in Zuid-India, nu uitgebreid bestudeerd. Zij roept de vraag op wat de selectiefactoren zijn die er een rol bij spelen. Dat moederliefde handig is bij een sociale diersoort die in de jeugd veel moet leren, is een open deur. Maar er zijn uiteenlopende redenen te verzinnen waarom de aandacht voor jongen algemener is. Zo zou het leren moederen een rol kunnen spelen. De fascinatie voor pasgeboren jongen kan zijn geëvolueerd omdat die jonge vrouwtjes stimuleert om via de omgang met andermans kind verzorgende vaardigheden te ontwikkelen. Maar die fascinatie kan ook voortkomen uit een vorm van reproductieve competitie tussen vrouwtjes. Alle betoonde aandacht zou kunnen dienen om het jong van de ander uiteindelijk juist schade te kunnen berokkenen, zodat de eigen voortplantingskansen er weer beter voorstaan in een groep vol concurrentie.

Alle aandacht zou, ten slotte, ook simpelweg een bijproduct van selectie van aandachtige moederlijke zorg kunnen zijn. Ontwikkeling van op vertedering gerichte eigenschappen van jongen met overdreven jeugdige kenmerken en de gevoeligheid van ouderdieren daarvoor gingen daarbij gelijk op. Als neveneffect laten ook jongen van anderen de volwassen dieren niet ongevoelig.

Silk bestudeerde de patronen in de omgang met jongen bij een grote groep Indische kroonapen op het California Primate Research Center van de Universiteit van Californië. De omgang met andermans jongen was doorgaans zachtaardig en niet al te opdringerig, hoewel soms wel wat aan een jong gesjord werd om het in handen te krijgen. Vrouwelijke dieren werden veel sterker tot jongen aangetrokken dan de mannetjes, onafhankelijk van hun leeftijd. Ook waren volwassen vrouwtjes net zo nieuwsgierig als nog jonge vrouwtjes. Mannelijke en vrouwelijke jongen waren even populair, maar zodra ze rijper begonnen te worden holde hun populariteit achteruit. Niet verwonderlijk was dat jongen het vaakst werden gehanteerd door hun vrouwelijke familieleden; en bovendien meer door vrouwtjes die hoog in de rangorde stonden dan door lager geplaatsten.

De `leren moederen' hypothese krijgt met deze gegevens wat Silk betreft weinig steun; oudere vrouwtjes waren immers net zo kien op de omgang met jongen als de niet-volwassene. De meeste moeders lieten hun kroost liever niet door anderen beroeren, maar de zachtaardige omgang met het jong door vreemden verleent geen steun voor reproductieve wedijver. Er werden weleens jongen mishandeld, maar de patronen daarin kwamen niet overeen met die van vertoon van vriendelijke nieuwsgierigheid.

Kortom: Silk kiest voor de bijproducthypothese. Vrouwtjes van alle leeftijden vallen voor andermans jongen, en dan vooral in de periode waarin moederlijke zorg onontbeerlijk is voor hun overleving. Bij elkaar suggereren die klinische gegevens over apenliefde dat de fascinatie voor vreemde jongen evolutionair werd ondersteund doordat vrouwtjes die sterk reageren op jongen, nu eenmaal goede moeders zijn.

(Frans van der Helm)