Vrouwenkwalen

Artsen komen er niet goed af in de traditionele Chinese letterkunde. Niet alleen in moppen maar ook op het toneel en in romans worden artsen voornamelijk geportretteerd als kwakzalvers, die vooral uit zijn op geld en met hun medicatie de dood van hun patiënt slechts bespoedigen. Bovendien zal een arts niets liever doen dan het gezag van zijn concurrent ondermijnen door diens diagnose te veroordelen en te vervangen door zijn eigen. Een van de oudste bewaarde kluchten van het Chinese toneel is dan ook `Twee kijvende artsen': de beide concurrerende geneesheren besluiten uiteindelijk in goede harmonie om het lichaam van de patiënt in de lengte te delen, zodat elk van hen zijn eigen helft op eigen wijze kan behandelen. De patiënt geneest pas zodra het twistende koppel de ziekenkamer is uitgejaagd.

Geen wonder dan ook dat de afgezant van de Jade Keizer die naar de aarde wordt gezonden om daar een goede arts te vinden, de poort van elke praktizerende arts versperd vindt door de talrijke zielen van de patiënten die door het ingrijpen van de arts voortijdig aan hun einde zijn gekomen en nu genoegdoening eisen. Wanneer hij eindelijk een arts vindt bij wiens huis geen enkele geest om wraak roept, blijkt de betrokken arts zich pas diezelfde dag gevestigd te hebben – hij heeft nog geen patiënt onder ogen gehad.

Het beeld van de traditionele Chinese arts als kwakzalver werd nog eens flink bevestigd in de moderne Chinese letterkunde van de eerste helft van deze eeuw. De beroemde schrijver Lu Xun (1881-1936) besloot in Japan medicijnen te gaan studeren uit walging over de zinloze behandeling waaraan de traditionele artsen zijn vader jarenlang hadden onderworpen. (Eenmaal in Japan besloot hij dat het nog belangrijker was om de ziel van zijn landgenoten te genezen dan hun lichaam).

De artsen zelf hadden natuurlijk een andere kijk op hun functioneren en het belang van hun beroep. Vooral na de uitvinding van de boekdrukkunst in de achtste/negende eeuw zien we dat de medicijnen zich steeds meer ontwikkelen tot een wetenschap op basis van een uitvoerige, gedrukte literatuur. Maar de verhoging van de status van de geletterde arts die daarvan het gevolg was, maakte de arts ook steeds meer een heer, die het grove handwerk van het fysieke contact met de patiënt in toenemende mate zou overlaten aan allerlei andere genezers die lager op de maatschappelijke ladder stonden. Een geletterde arts voelde misschien nog wel de pols van zijn patiënt maar beperkte zich verder tot vragen en luisteren om op grond van de symptomen en zijn kennis van de theorie te komen tot een diagnose. De diagnose vond zijn bekroning in het voorschrijven van een individueel recept. Snijden en kerven in levende, kermende lijven was eerder de roeping van de beul dan van de arts, laat staan dat de laatste zelf in dode lijken zou gaan snijden!

De voortschrijdende ontwikkeling van de theorie leidde onder de Song-dynastie (960-1276) in de handboeken ook tot het ontstaan van een aparte gynaecologie, als leer van de oorzaken, de symptomen en de behandeling van typische vrouwenklachten. Ondanks alle vernieuwingen in de theorie sloten de recepten echter grotendeels aan bij de in het verleden beproefde krachten van kruiden, zo blijkt uit Charlotte Furth's A Flourishing Yin. Gender in China's Medical History, 960-1665 (Berkeley: University of California Press, 1999). Charlotte Furth (University of Southern California) is een eminente wetenschapshistorica, die in deze studie enerzijds voortbouwt op het levendige onderzoek van de laatste jaren naar de geschiedenis van het Chinese geneeskundige denken door lieden als Nathan Sivin en Paul Unschuld, en anderzijds aansluit bij de explosief gegroeide aandacht voor gender-vraagstukken ook onder Chinese historici. Bovendien is zij natuurlijk vertrouwd met het feministische gruwelverhaal van de verdrijving van de vroedvrouw uit de kraamkamer door de vrouwenarts vanaf de achttiende eeuw in Europa en van diens technologische penetratie van het vrouwenlichaam met zaag en tang.

Tweederde van Charlotte Furth's uitvoerige studie is voornamelijk gewijd aan de handboeken over vrouwenklachten en de ontwikkelingen in theorievorming. Dat is vrijwel onvermijdelijk omdat het materiaal dat haar ter beschikking stond voor de door haar onderzochte periode haar nauwelijks een andere benadering toestond. Hoe interessant deze hoofdstukken echter ook mogen zijn voor de wetenschapshistoricus, voor de algemene lezer zijn dit toch waarschijnlijk niet de boeiendste. Die zal wellicht meer geboeid worden door de twee laatste hoofdstukken van het boek, waarin de praktijk van het medische bedrijf in de zestiende en zeventiende eeuw centraal staat. Hier baseert Charlotte Furth zich voornamelijk op verzamelingen van individuele ziektegevallen. Zulke verzamelingen werden aangelegd door artsen op grond van ervaringen in hun eigen praktijk ten behoeve van hun opvolgers. Dikwijls was de opvolger een zoon (of schoonzoon), omdat de medische professie tot op grote hoogte een erfelijk beroep bleef. Ook al bestonden er soms wel staatsexamens voor artsen, scholen voor artsen ontbraken en ook bestonden er geen grote ziekenhuizen.

De analyse van de ziektegevallen uit de verzameling van een zekere Cheng Maoxian (geb. 1581) die in de eerste jaren van de zeventiende eeuw in Yangzhou praktizeerde, brengt ook nog een ander probleem in focus dat de ontwikkeling van de gynaecologie hinderde, namelijk de scheiding van de sexen in de traditionele Chinese maatschappij. Hoe hoger de status van de familie, des te nauwlettender werd door mannen en vrouwen deze segregatie in acht genomen. Als man en buitenstaander werd de arts slechts bij hoge uitzondering toegelaten tot de vrouwenvertrekken en dikwijls moest het onderzoek verlopen via tussenpersonen. Het was al heel wat als een vrouw van stand een dokter haar pols liet voelen van achter een gordijn (er is dan ook geen gebrek aan moppen over artsen die de pols voelen zonder de patiënt te zien, concluderen tot een vergevorderde zwangerschap, en dan geconfronteerd worden met een mannelijke patiënt). Het gescheiden leven van mannen en vrouwen bracht ook met zich mee dat bij ziekte van vrouwen en kinderen pas in laatste instantie een beroep werd gedaan op een mannelijke arts. In geval van ziekte waren vrouwen allereerst aangewezen op huismiddeltjes en, in geletterde families, op de recepten in de algemene huishoudencyclopedie. Bracht dat geen baat, dan ging men vaak eerst te rade bij kruidenvrouwtjes en andere vrouwelijke genezers van allerlei slag, van masseuses en vroedvrouwen tot media, duiveluitbansters en handelaarsters in afdrijvende middelen. Onder deze vrouwen was de graad van geletterdheid zeer laag en hun kennis was in het algemeen een combinatie van overlevering en ervaring. Plannen om hun niveau te verhogen door hen te laten onderwijzen door de echtgenotes van artsen zijn nooit meer geweest dan de vruchtenloze hersenspinsels van goedwillende wereldverbeteraars.

Een terrein dat binnen de traditionele Chinese geneeskunde dan ook nauwelijks tot ontwikkeling is gekomen is dat van de verloskunde. Tot de invoering van de westerse geneeskunde vanaf het midden van de negentiende eeuw bleef de vroedvrouw de meesteres van de kraamkamer en bleef de verloskundige literatuur zeer beperkt van omvang. Dat had niet alleen te maken met de scheiding der seksen maar ook met het wijd verbreide geloof in de bezoedelende kracht van het bloed dat bij een bevalling vrijkwam. De vroedvrouw had mede daardoor een zeer ambivalente status in het traditionele China, zeker in de ogen van de her en der schepping: enerzijds was haar hulp onmisbaar bij de bevalling, anderzijds werd ze licht verdacht van kwalijke praktijken als zwarte magie. Daar kwam natuurlijk bij dat een goede Chinese huisvader wist dat hij achterdochtig moest zijn jegens alle loslopende vrouwen die bij zijn echtgenotes en dochters over de vloer kwamen. (Die blijvende belangrijke rol van vrouwelijke genezers zou echter wel eens een belangrijke rol gespeeld kunnen hebben bij de gemakkelijke aanvaarding van de eerste westers opgeleide vrouwelijke artsen in het China van de laatste jaren van de negentiende eeuw.)

In de door haar bestreken periode is Charlotte Furth op één vrouwelijke arts gestuit, een zekere Tan Yunxian (1461-1554), die zelf een verzameling van door haar behandelde ziektegevallen heeft nagelaten. Tan Yunxian's vader behaalde de hoogste graad in de staatsexamens maar zij werd opgevoed door haar grootvader, een arts. Ook haar grootmoeder beoefende de geneeskunst, en zij werd door hen beiden in hun geheimen ingewijd. Tijdens een ziekte na het overlijden van haar grootmoeder zou deze in een droom aan haar verschenen zijn, haar gewezen hebben op het juiste recept ter genezing van haar eigen kwaal, en haar vervolgens opgedragen hebben zelf als arts actief te zijn. Onder de patiënten van Tan Yunxian bevonden zich vrouwen van verschillende stand. Haar wijze van behandelen verschilde nauwelijks van die van haar geletterde mannelijke collega's, ook zij beperkte zich voornamelijk tot het voorschrijven van recepten. De samenstelling van de recepten neemt in de beschrijving van elke casus meer ruimte in beslag dan die van de ziekte. Het ziektebeeld van de door haar behandelde vrouwen is echter maar al te voorspelbaar: algehele uitputting en verzwakking door zwaar lichamelijk werk en/of opeenvolgende zwangerschappen.