Reislust

Homo erectus leefde zo'n 2 miljoen jaar geleden in Afrika en mogelijk al in de Levant. Een kleine miljoen jaar later trokken groepen van deze Homo-soort verder de Oude Wereld in. Waarom eigenlijk?

EEN MILJOEN jaar geleden verscheen Homo erectus buiten Afrika. Daar kwam hij in andere klimaten terecht dan hij gewend was van de savannen waar hij vandaan kwam. Het ging hem goed af. De basis voor die flexibiliteit heeft Homo erectus waarschijnlijk te danken aan de omstandigheden in Afrika twee miljoen jaar eerder, aldus de stelling van de onlangs gepromoveerde dr. M. Langbroek. Hij voerde zijn studie uit aan het Instituut voor Prehistorie van de Universiteit Leiden, waar ook de groep Changing Views of Ice Age Foragers actief is. Deze Pionier-groep (Pionier is een subsidievorm van NWO), onder leiding van prof. dr. W. Roebroeks, doet onderzoek naar processen achter de eerste menselijke bewoning van Europa. Langbroeks werk sluit daar gedeeltelijk bij aan, maar heeft voor het overige een geografisch breder perspectief. Langbroek: ``Door het internationale karakter van het werk van de groep komen regelmatig gasten uit het buitenland naar Leiden. Daar kun je mee praten en die geven vaak ook lezingen met achtergrondinformatie die nog niet in druk is verschenen. Een erg inspirerend klimaat om in te werken.''

Tusssen 2,8 en 2 miljoen jaar geleden voltrok zich in Afrika een reeks wisselingen van klimaat. Die zorgden de ene keer voor een uitbreiding van het equatoriale regenwoud, de andere keer voor inkrimping daarvan ten koste van de groei van het savannen-areaal. Rond 1,8 miljoen geleden ontstond uit de voorafgaande Australopitheci Homo erectus. Alvorens deze eerste belangrijke Homo-soort, (waaruit uiteindelijk zo'n 100.000 jaar geleden Homo sapiens ontstond) Afrika verliet, deden zich nog meer veranderingen voor. De groepen waarin H. erectus rondtrok werden groter, en binnen die groepen werd het sociaal gedrag complexer: meer samenwerking en meer coördinatie van taken. Ook ontwikkelde H. erectus stenen werktuigen. Uit vrij eenvoudig gemaakte brokken met scherpe kanten ontstonden de echte vuistbijlen die meestal naar de eerste vindplaats met de naam Acheulien worden aangeduid. En pas daarna kwam de big push forward.

Volgens sommige onderzoekers viel die Out of Africa-beweging van H. erectus samen met een klimaatverandering waardoor het savannenlandschap zich uitbreidde in de richting van India en over Noord-Afrika naar zuidelijke Spanje. Maar deze vergaande uitbreiding van een vertrouwde omgeving was niet de belangrijkste reden voor de trek. Langbroek: ``Ik zie toch meer een verklaring in Homo erectus zelf. Hij evolueerde naar iemand met een groter vermogen om zijn gedrag en de manier waarop hij met het landschap en de voedsel- en hulpbronnen omging aan te passen aan de omstandigheden. Je ziet dat ze op hetzelfde moment in Afrika van het laagland de hoogvlakten op gaan en in Oost-Azië niet-savannenlandschappen binnentrekken. Dit suggereert ook dat het niet in klimaatontwikkeling zat, maar in ontwikkelingen in die mensen zelf.'' Langbroek kreeg voor zijn onderzoek eind verleden jaar de archeologische W.A. van Es Prijs uitgereikt.

MOVIUSLIJN

Belangrijk in verband met het grotere aanpassingsvermogen is een fenomeen dat paleoantropologen al enkele decennia bezighoudt: de Moviuslijn. Dit is de grens tussen het gebied waar H. erectus Acheulien-vuistbijlen hanteerde en dat waar hij eenvoudigere stenen werktuigen gebruikte. De Amerikaan Hallam Movius definieerde deze lijn bij onderzoek dat hij in de jaren veertig verrichtte. Langbroek ontdekte dat de Moviuslijn lijkt te corresponderen met de scheiding tussen aan de ene kant de savannenlandschappen, en aan de andere kant de graslanden en steppen in gematigde streken en biotopen in Zuidoost-Azië. Hij zocht een verklaring voor dit verschil in werktuigfabricage en -gebruik, in de aard van deze omgevingen. Langbroek: ``Ik ben studies gaan opzoeken naar de opbouw van dat soort ecosystemen en daarbinnen naar de verspreiding van bronnen voor ruwe materialen en voedsel. Dan blijkt dat de voedselbronnen in bijvoorbeeld de gematigde graslanden iets minder rijk zijn, meer verspreid liggen en seizoensgebondener zijn dan in de savannen. Zijn er zulke verschillen in de omgeving, dan zijn er ook andere gedragsystemen nodig om daar mee om te gaan. In het geval van de gematigde graslanden heb je een andere dagindeling nodig om je voedsel te verzamelen. Je moet een grotere ronde door het landschap maken. En dat heeft weer invloed op de tijd die er is voor het zoeken naar werktuigmateriaal en voor het maken daarvan. Maar ook op de manier waarop je het materiaal aanwendt. Vanwege de concentratie van voedselbronnen in de savannen en de continuïteit in de beschikbaarheid, weet je elke dag zo ongeveer wat je mag verwachten als je er op uit trekt. Je kunt je daarop voorbereiden, ook wat betreft de werktuigen die je meeneemt en je kunt bovendien meer tijd besteden aan het maken van die dingen. In de gematigde graslanden lagen de zaken minder zeker. Daar was het toch waarschijnlijk meer een kwestie van: je neemt een stuk steen mee dat je op je weg vindt en pas als je ter plekke met iets wordt geconfronteerd weet je precies wat je nodig hebt en dan ga je ad hoc een werktuig van die steen maken. Je besteedt daar dan ook niet zoveel tijd aan omdat je snel weer verder moet. Maar ook zo'n eenvoudig stuk gereedschap kan heel effectief zijn.''

Toen de afstammeling van Homo erectus, Homo heidelbergensis, later Europa binnenkwam, trad dit verschijnsel opnieuw op. In de rijkere West-Europese omgeving gebruikte hij Acheulien-vuistbijlen, maar tijdens zijn trek vervolgens in oostelijke richting kwam hij in schralere omgevingen terecht en ging weer eenvoudigere werktuigen hanteren. Hier ligt overigens nog het discussiepunt van het `late' tijdstip van de eerste vroeg-menselijke aanwezigheid in Europa, mogelijk 800.000 jaar geleden, maar waarschijnlijker 500.000 jaar terug. Langbroek: ``Dit zou te maken kunnen hebben met het feit dat we er rond een half miljoen jaar geleden voor het eerst aanwijzingen voor hebben dat de jacht een structureel onderdeel van de voedselvoorziening was geworden. Dat het niet langer een ad hoc reageren was op een situatie die zich onverwacht voordeed. De 350.000 jaar oude speren van Schöningen in Duitsland wijzen daarop, net als het materiaal uit het Engelse Boxgrove met in een schouderblad van een neushoorn een gat dat heel veel overeenkomsten vertoont met het gat dat een speer maakt.''

De grote vraag achter het trekgedrag van onze verre voorouders blijft natuurlijk: waarom gingen ze eigenlijk andere gebieden en moeilijkere omstandigheden opzoeken terwijl ze in hun vertrouwde omgeving goed uit de voeten konden? Groei van de populatie? Langbroek: ``Dat is altijd de standaardverklaring. Maar wat daarbij vaak over het hoofd wordt gezien zijn data uit de dierenwereld of uit de antropologie. Groei van de populatie is ook iets dat je zelf kunt reguleren. Of er ontstaat bijvoorbeeld verhoogde kindersterfte door ondervoeding. Nee, uitbreiding van gebied is bij populatiegroei lang niet altijd de meest logische optie.''

VERDWIJNEN

Binnen de biologie zijn er een heleboel ideeën ontwikkeld over verspreiding van soorten, maar volgens Langbroek bestaat er geen duidelijk consensus over hoe dat werkt. ``Vaak wordt het gezocht in vrij basale dingen als een kleine verandering in het klimaat of het verdwijnen van een bepaalde diersoort en het opvullen van de vrijgekomen ruimte door een andere. Er zijn onderzoekers die dat proberen toe te passen voor Vroege Mensen. Dan is de mens een diersoort die wordt gedreven door dezelfde principes van klimaat en competitie. Maar je kunt natuurlijk op je klompen aanvoelen dat er ergens een punt komt waarop het feit dat wij duidelijk een intelligentie hebben ontwikkeld ook een rol gaat spelen. De Engelse paleoantropoloog Clive Gamble heeft over dit verschijnsel geschreven in zijn schitterende boek Time Walkers. Daarin zegt hij dan ergens: humans have purpose. Een mooie kreet, maar je kunt er eigenlijk heel weinig mee. We zijn gewoon nog lang niet ver genoeg met onze kennis om daar goed over na te kunnen denken. Het is een van de vragen waarop niemand op dit moment een antwoord heeft. Waarom gaan we naar de maan? Waarom sturen we ruimtesondes naar planeten? Dat is voor een deel nieuwsgierigheid, tegenwoordig ook voor een deel een kwestie van prestige en nationalisme en zo. Maar wat er nu precies achter zit? Als je tien psychologen daarnaar vraagt, krijg je volgens mij tien verschillende opinies. En als we dat voor onze huidige samenleving al niet kunnen verklaren, hoe kunnen we dat dan op korte termijn zeggen voor samenlevingen waar we maar fragmentjes van kennen. Die dan ook nog eens omstreden zijn.''