Open, spreid, sluit

Openheid is een groot goed, zeker voor instanties die voor het overige moeilijk te controleren zijn. Vandaar dat op het eerste gezicht de grote publieke aanwezigheid van Europa's centrale bankiers moet worden toegejuicht. De Europese Centrale Bank, waar zij toe behoren, is uiterst moeilijk te controleren. De onafhankelijkheid van de ECB is stevig verankerd in het Verdrag waarbij zij is opgericht. Niets en niemand kan zich bemoeien met het beleid van de Bank, zij het dat Europa's politici met hun eigen beleid de bewegingsvrijheid van de ECB wel indirect kunnen beïnvloeden. Maar los daarvan hebben de centrale bankiers het rijk alleen, en kunnen zij het Europese publiek informeren zo vaak en goed het hen goeddunkt.

Over het `vaak' hoeft weinig discussie te zijn. ECB-president Duisenberg gaf dit jaar zes persconferenties in Frankfurt, en hield 19 belangrijke voordrachten. Zijn vijf mede-directieleden van de ECB gaven samen nog eens 33 voordrachten. dat zijn samen al 58 openbare optredens, dus ruim 2 per week. De elf nationale bankpresidenten die samen met de directie de raad van bestuur van de ECB vormen zaten ook niet stil. Zodat met een gerust hart mag worden geschat dat in het eerste halfjaar van 1999 er gemiddeld elke dag een openbaar optreden was van een bestuurslid van de ECB.

Met de frequentie lijkt dus weinig mis, maar hoe zit het met de kwaliteit van de informatie die de bankiers verstrekken? Over het algemeen overheersen de platitudes, en dat is geen wonder als op de financiële markten elk woord op een goudschaaltje wordt gewogen. Een kleine wending in een formulering kan al worden opgevat als een verhuld signaal dat er een grote beleidswijziging plaatsvindt.

Daar zit tegelijkertijd ook een probleem. Wat opviel in voorbije weken toen de euro telkens verzwakte tegenover de dollar, was dat er in de kakafonie van speeches, voordrachten en interviews ruimte te bespeuren viel tussen de opvattingen van de verschillende centrale bankiers. De Duitsers waren er ongerust over, de rest niet zo of geheel niet, of men deed heel goed alsof. Alle verwarring die op deze Toren van Babel ontstond, was zelf weer slecht voor de euro - en voor de reputatie van de ECB zelf.

De beleidsreactie op het gebeurde laat zich straks raden: de bankiers gaan zich voornemen om voortaan meer met één mond spreken. En dus neemt de in het eerste halfjaar betrachte openheid onherroepelijk af. Zo leert de jonge ECB zwemmen in het bad van de publiciteit. Open, spreid, sluit, zei de badmeester vroeger.

Dat geldt ook voor de tweewekelijkse vergaderingen van de raad van bestuur van de ECB. Duisenberg had zich voorgenomen om tijdens de persconferenties die na afloop van elke eerste vergadering van de maand worden gehouden alle vragen zo open mogelijk te beantwoorden. En dat gebeurde ook: tijdens de eerste maanden van dit jaar kwam iedereen aan bod. Maar geleidelijk aan worden de persconferenties korter, en moet Duisenberg vaker ,,geen commentaar'' verkopen. Bijvoorbeeld als het gaat om zeer gevoelige vragen naar de discussie in de raad van bestuur over mogelijke valuta-interventies.

Dat is soms begrijpelijk, en zeker geen teken van onwil van de ECB-president. Het staat buiten kijf dat Duisenberg zijn uiterste best doet. Het ligt echter aan de huidige persoon van de ECB-president dat er nog zo veel openheid wordt getracht te geven. Niet aan het instituut van bankpresident. Het is heel goed mogelijk dat Duisenbergs opvolger er andere opvattingen op nahoudt over openheid en rekenschap. En dan blijkt dat er nergens is omschreven wat openheid is, en hoeveel de bankpresident - welke persoon hij ook moge zijn - er van moet verstrekken.

Alleen daarom al zou het dus goed zijn om de openheid een institutioneel karakter te geven. En dat kan eigenlijk enkel door notulen van de vergaderingen openbaar te maken. Net zoals dat in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië - met een vertraging van een paar maanden - bij de centrale banken gebeurt. Het bezwaar dat daartegen is gemaakt, ook door Duisenberg zelf, vindt zijn oorsprong in de dubbele loyaliteit van de elf nationale centrale bankiers die in de raad van bestuur zitten. Zij zijn nationale vertegenwoordigers, maar dienen bij hun besluiten juist euro-breed te denken en te handelen.Bij openbare notulen, zo luidt het bezwaar, zou het thuisfront kunnen zien dat een bankier tegen zijn `nationale belang' stemt, en hem onder druk kunnen zetten om zich de volgende maal nationaler op te stellen.

Dat lijkt een logisch bezwaar. Maar de Nederlands-Britse econoom Willem Buiter, die bestuurder is van de Bank of England, heeft al gesteld dat je het net zo goed om kunt draaien. Openbare notulen voorkómen juist dat er langs nationale lijnen wordt gestemd. De nationale centrale bankier die dat doet zonder dat er openbare notulen zijn, komt er op dit moment mee weg. Maar als heel Europa zijn chauvinistische stemgedrag in het ECB-bestuur open en bloot kan zien, dan laat hij het wel uit zijn hoofd.

De openheid die de ECB in het eerste halfjaar van 1999 heeft laten zien, kan verwarrend werken, is waarschijnlijk moeilijk vol te houden, is grotendeels vrijwillig en hangt af van de persoonlijke voorkeur van de ECB-bankiers, die evengoed kan veranderen. De bezwaren tegen het publiceren van notulen zijn ambivalent, en kunnen net zo goed argumenten voor het publiceren van notulen zijn. Dat geeft kracht aan de conclusie dat, wil de ECB een betrouwbaar en voorspelbaar instituut zijn, heel Europa achteraf moet kunnen lezen hoe de zestienkoppige raad van bestuur tot zijn besluiten is gekomen. De enorme invloed van het rentebeleid op de economie en het dagelijks leven van de Europese burger maakt dat een belang van de eerste orde.