Met het staal uit Sheffield won Engeland de oorlog

In Sheffield, de thuisstad van British Steel, is men nog steeds bezig bij te komen van de klap die de staalindustrie begin jaren tachtig kreeg toegediend. De vakbonden zijn blij met de deze week aangekondigde fusie tussen British Steel en Hoogovens. Dat in de nieuwe naam niet het woord `British' voorkomt, is geen probleem. `Als de werkgelegenheid in Sheffield maar behouden blijft'.

Wat goed is voor British Steel, is goed voor Sheffield. Dat is de algemene reactie over de fusie tussen de Britse staalgigant en Koninklijke Hoogovens in Sheffield, de stad die sinds vorige eeuw wereldfaam verwierf met de productie van stainless steel en, al veel langer en misschien nog meer, met messen en bestek. Van die glorie is niet veel over. Sheffield, de hoofdstad van South Yorkshire, de armste regio van Engeland, is als een aangeslagen bokser die met moeite overeind komt na de dramatische neergang van de staalindustrie in de tachtiger jaren die tienduizenden mansen hun baan kostte.

,,De fusie met Hoogovens is een positieve ontwikkeling'', zegt John Clarke, leider van de vakbond Iron & Steel Trades Confederation voor midden- en noordwest-Engeland. ,,Dat in de nieuwe naam van de combinatie British Steel en Koninklijke Hoogovens het woord British niet meer zal voorkomen, interesseert me niet, als de werkgelegenheid maar behouden blijft.'' ,,Elke positieve ontwikkeling is welkom in een gemeenschap die haar vertrouwen had verloren en nog steeds worstelt om dat te herwinnen'', zegt Labour-politicus Mike Bower, die van 1990 tot 1997 Leader, burgemeester, van Sheffield was.

Sheffield is de vierde stad van Engeland na Londen, Birmingham en Manchester. Het is de enige grote stad in Engeland waar de bevolking niet groeit maar vermindert. Bower: ,,Duizenden mensen vertrokken na de grote crisis in het begin van de tachtiger jaren. Die begon met de sluiting van tientallen mijnen in South Yorkshire. De deels sterk verouderde staalindustrie in Sheffield en omgeving onderging daarna hetzelfde lot. Tussen 1981 en 1984 werden 60.000 werknemers in de staalindustrie werkloos. Een hele reeks ondernemingen, vele met beroemde namen, ging dicht. Als je alle afgeleide werkgelegenheid (toeleveranciers, transport) meetelt, verloren 100.000 mensen hun baan. Dat was een klap die de stad nog steeds niet te boven is.''

In de jaren veertig telde Sheffield ruim 200 fabrieken die het staal produceerden `waarmee Groot-Brittannië twee wereldoorlogen kon vechten' (citaat uit de lokale krant The Star). De valleien met hun rivieren ten oosten van de stad zagen zwart van de smog uit honderden schoorstenen. Nu zijn er nog maar enkele grote bedrijven over. Die produceren jaarlijks tussen de 1,7 en 1,9 miljoen ton, nauwelijks minder dan tien jaar geleden.

British Steel heeft in Sheffield nog vier vestigingen, een kantoor en drie productiebedrijven, met in totaal tussen de 2000 en 2500 werknemers. Vakbondsman Clarke weet de cijfers niet precies, want modernisering en herstructurering is een permanent voortgaand proces, vooral bij British Steel, dat in 1980 nog 140.000 man op de loonlijst had staan en nu nog maar 44.000. Clarke: ,,Ik ben ervan overtuigd dat de komende twee of drie jaar nog vele duizenden banen bij British Steel zullen verdwijnen.'' Hij prijst de enige grote Britse staalonderneming overigens als een moderne werkgever die vakbonden nauw bij herstructureringen betrekt en veel geld besteed aan training van personeel. ,,Wij zeiden altijd dat de managers van de staalbedrijven immoreel waren. Maar dat is niet langer zo. De wereld is kleiner geworden, ook hier.''

Het belangrijkste British Steel-bedrijf in Sheffield is Avesta Sheffield, (1400 werknemers) dat jaarlijks ca. 500.000 stainless steel (roestvrij staal) maakt. Avesta Sheffield is voor 51 procent eigendom van British Steel, de resterende minderheid is van het oorsponkelijke moederbedrijf Avesta in Zweden. Avesta Sheffield leed vorig jaar een verlies van 90 miljoen pond Sterling, volgens vakbondsleider Clarke vooral als gevolg van prijsdalingen en aanloopverliezen bij het in gebruik namen van een nieuwe fabriek in Zweden. Stainless steel, een produkt dat Hoogovens niet maakt, wordt o.a. geleverd aan producenten van messen zoals Richardson en Stanley, andere beroemde namen van bedrijven uit Sheffield die nog steeds bestaan. British Steel heeft nog twee andere, veel kleinere bedrijven in Sheffield. Eén maakt zeer dun staal voor scheermesjes, en bedient volgens Clarke de helft van de wereldmarkt. Een bezoek aan de bedrijven van het concern was niet mogelijk omdat British Steel volgens een woordvoerder in Londen het nieuws van de fusie met Hoogovens ,,enige dagen bij het personeel wilde laten inzinken''.

Behalve Avesta zijn er in Sheffield nog twee andere staalproducenten van enige omvang. Forgemasters (1200 werknemers) is gespecialiseerd in de produktie van staal voor de nucleaire en vliegtuigindustrie. En Aldwork in Rotherham, ten oosten van Sheffield, (1500 werknemers) is de laatste volledig geïntegreerde staalproducent die vooral voor de auto-industrie werkt. Clarke: ,,Daarnaast zijn er nog een aantal heel kleine bedrijven, sommige zelfs met een jaarproductie van soms maar twee ton. Zij maken speciale producten voor bijzondere markten, zoals bepaalde metalen voor medische instrumenten.''

In totaal zijn in Sheffield en omgeving nog zo'n 4400 mensen werkzaam in de staalindustrie, een handvol in vergelijking tot vroeger. De 59-jarige Clarke: ,,Toen ik, vijftien jaar oud, in 1955 als staalarbeider begon in Templeborough, in Rotherham, ten oosten van Sheffield, werkten alleen daar al 28.000 mensen. Overal waar je keek, zag je schoorstenen. Nu is er niets meer. Alles is met de grond gelijk gemaakt.''

Sheffields nog veel oudere traditie – de in de zeventiende eeuw ontstane productie van messen (cutlery) en ander bestek – is het beter vergaan dan de staalindustrie. Maar niet veel beter: in de enkele winkels die nog cutlery verkopen, nemen de Zwitserse legermessen meer plaats in dan messen met het opschrift `Stainless steel, Sheffield'. Vakbondsman Clarke: ,,De grote fabrikanten zetten die woorden er wel op, maar ze importeren hun roestvrij staal goedkoop uit Zuid-Korea of Taiwan. In Sheffield poetsen ze het alleen een beetje op en zetten er hun naam op.''

De glorie van Sheffields cutlery is te zien in Cutlers Hall, het gebouw van de Company of Cutlers in Hallamshire in the County of York (Sheffield en wijde omgeving), die in 1624 werd opgericht. Achter een grote, dagelijks glanzend gepoetste roestvrijstalen deur worden de meesterstukken bewaard. Zoals het Norfolk mes, zo genoemd omdat het door een cutler in Norfolk Street werd gemaakt voor de wereldexpositie van 1851 in Londens Chrystal Palace. Een halve meter hoog en 20 centimeter dik, is het met uiterste finesse bewerkte complexe mes een soort voorloper van het Zwitserse legermes. ,,We verhuren nu de zalen (waaronder een enorme hal, na de Londense Guildhall de grootste van Engeland, red.) om inkomsten te krijgen om het gebouw te kunnen onderhouden'', zegt John de conciërge die bezoekers op aanvraag rondleidt. Hij zegt het verontschuldigend en met spijt in zijn stem. `Made in Sheffield' is historie geworden.

Cutlers Hall is een van de weinige opmerkelijke historische gebouwen in het kleine centrum van Sheffield, een sfeerloze en chaotische klontering van oude en nieuwe bouwwerken. Hoewel de stad twee universiteiten en het grootste college van Engeland telt, is het centrum op doordeweekse avonden even leeg als dat van Barendrecht of Zevenaar. Landelijke bekendheid hebben alleen de luxueuze tram (Supertram) en het Crucible-theater waar jaarlijks in februari het wereldkampioenschap snooker wordt gespeeld. ,,Het is opmerkelijk hoe weinig de staalbaronnen van Sheffield hebben geïnvesteerd in de stad'', zegt Mike Bower, voormalig burgemeester van Labour dat in Sheffield 75 jaar onafgebroken aan de macht was. Tot de gemeenteraadsverkiezingen van vorig jaar toen de Liberale Democraten de oude politieke garde afloste. ,,De reders van Liverpool of de machinefabrikanten van Manchester hebben heel wat meer in hun stad nagelaten. Dat heeft ons ook belemmerd bij het overwinnen van de crisis van de tachtiger jaren.''

De ondergang van de staalindustrie was een economische en een psychologische ramp, zegt Bower, in die jaren tweede man van de stedelijke Educational Council die geleid werd door David Blunkett, de huidige minister van Onderwijs. ,,De psychologische ramp was misschien nog het grootst. Staalarbeiders waren de star performers, bij uitstek de symbolen van mannelijke kracht. Die mannen werden bij tienduizenden werkloos. In één wijk, The Manour, bedroeg de werkloosheid 98 procent en dat leidde tot verval, sociale ellende en misdaad. Het gemeentebestuur kon daar heel weinig aan doen. Lokale besturen hebben in Engeland weinig bevoegdheden en nog minder geld, destijds nog minder dan nu het geval is. De oudere generatie staalarbeiders die werkloos werd, heeft het wel overleefd, maar is nog steeds gewond.'' De `mannen van staal' die terugvielen op lage sociale uitkeringen of slechtbetaalde, simpele baantjes leden en lijden anoniem en in stilte. Vakbondsman Clarke: ,,Ze hebben geen clubs zoals de voormalige mijnwerkers, geen reunie's, niets.''

De Conservatieve premiers Margaret Thatcher en John Major hadden geen belangstelling voor de noden van Sheffield en South Yorkshire, traditionele bolwerken van Labour. Bower: ,,South Yorkshire is een van armste regio's van Engeland. Wij voldeden aan de criteria voor hulp uit de fondsen voor regionale en sociale ontwikkeling van de Europese Gemeenschap. Zo is het bruto nationaal product van South Yorkshire lager dan 75 procent van het gemiddelde bruto nationaal product in de Europese Unie. Onder premier Major kwamen echter alleen Merseyside (Liverpool) en de Schotse eilanden in aanmerking voor hulp uit Brussel. Pas sinds enkele jaren krijgt South Yorkshire geld uit Europese fondsen. De regionale ontwikkeling wordt nu goed aangepakt, ook met geld uit Londen.''

John Davies is manager van de Sheffield Training & Enterprise Council, een organisatie die in 1990 werd opgezet om nieuwe economische ontwikkeling te bevorderen en werknemers te scholen en vooral in Sheffield om te scholen. Davies: ,,Deze regio bleef sterk achter bij het opzetten van nieuwe bedrijven. Met onze scholingsprogramma's proberen we startende ondernemingen te koppelen aan de werknemers die ze nodig hebben. Maar pas sinds vijf jaar heeft Sheffield een strategie voor economische opbloei. Er is nu een club van leidende persoonlijkheden uit de industrie en de gemeente (`Sheffield First') die zich daarvoor inzet.''

Met resultaat: Sheffield kreeg in die periode een nationaal instituut voor sport, een groot nieuw stadion en Meadowhall, de grootste shopping mall van Engeland. En in Templeborough, waar vakbondsleider Clarke ooit als jongen begon, wordt gewerkt aan het Magna Project, een historisch annex entertainmentpark over de geschiedenis van de kolen- en staalproductie. Kosten 37 miljoen, waarvan 20 miljoen wordt betaald uit het Millenniumfonds dat de Britse regering enige jaren geleden in het leven heeft geroepen. John Davies: ,,Het succes van Meadowhall leidde ertoe dat er weer plannen zijn gemaakt om het stadscentrum aantrekkelijker te maken. Het glas is dus half vol en niet half leeg.''