Kwakken in Rotterdam

De enige stadskwak die ik ken, valt onder mijn beheer. Hij staat op een eikenhouten plankje in het Natuurmuseum Rotterdam en draagt collectienummer 62. Het etiket vermeldt `Mei 1933 in Rotterdam verzameld'. Dat wil zeggen: geschoten en opgezet. Zo ging dat in die tijd met zeldzame dieren.

De kwak (Nycticorax nycticorax) is nog steeds zeldzaam. Elke zomer worden in Nederland enkele rondzwervende exemplaren gezien. Er komen van deze reigerachtige vogel enkele tot broeden in zompige, afgelegen natuurgebieden. Ik heb er in Nederland nog nooit een gezien.

En dan komt er, achteloos op een woensdagmiddag in april, de mededeling van het bureau Stadsnatuur Rotterdam dat er in Het Park bij de Euromast een kwak broedt. Of ik even mee ging om te kijken.

Ik had er een hard hoofd in, maar eenmaal onder de kastanje tegenover Chalet Suisse (voor Rotterdammers een duidelijke locatie) was ik snel overtuigd van de juistheid van de melding. Bleekgele poten, wat grijze en zwarte veren en een fonkelend rood oog dat tussen het versgroene loof over de nestrand gluurde. Voor een kenner genoeg om `kwak' te kunnen zeggen.

Wat bezielt een schuwe vogel die thuishoort in rivierbossen, in de delta's van de Loire, de Rhône, de Po en de Donau, om in een park in het hart van Rotterdam neer te strijken en zelfs tot broeden over te gaan? Gaat er dan echt niets boven stadsnatuur?

Argwaan over de herkomst van de kwakken was mijn belangrijkste drijfveer om Het Park geregeld te bezoeken. Het wijfje zat meestal op het nest en het mannetje ernaast, verscholen tussen de kastanjebloesem. De aflossingsceremonie was het enige moment waarop beide vogels goed in het zicht kwamen: met veel en luidruchtig gekwak, opgezette kopveren en behoedzaam geklauter werd de zorg voor de eieren overgedragen. Gedrag volgens het boekje. Alles wees op een natuurlijk broedgeval.

De datum weet ik niet meer, maar ik rook onraad op de geboortedag van de profeet Mohammed – de algemeenste parkgebruikers vierden dat uitbundig met het nuttigen van köfte en börek. Onder de kastanje lagen twee versdode eendagskuikens. Geen standaardkost voor een kwak en bovendien behoren kippenkuikens ook niet tot het reguliere voedselaanbod van Het Park. Het bleef niet bij een incidenteel kuikentje. Dagelijks raapte ik onder de nestboom gele braakballen op: samengeperst onverteerbaar pluizig dons vermengd met complete kuikenpootjes. Waar scharrelde het kwakkenpaar zijn kostje bij elkaar?

Koos Stuster, de vogelman van Diergaarde Blijdorp, zette de Rotterdamse kwakken weer op hun plaats: ,,Ja, een paar jaar geleden zijn er een stuk of wat ontsnapt uit hun verblijf. Ze bleven wel in de tuin rondhangen, ze vlogen vrij rond en hebben ook gebroed. Zonder resultaat overigens, ik heb nooit jongen gezien. Ze zullen er nog wel zitten, denk ik.''

Het volgende scenario tekent zich af. Een stelletje opportunistische kwakken verheft zich boven de Diergaarde, volgt Rotterdams langste groene ader, de Heemraadssingel, en ziet een rivier met aan de oever een bos met waterpartijen. Voor een dierentuinkwak is dat zonder aarzeling te beschouwen als een prima habitat. Voor de maaltijd maken ze op gezette tijden een vlucht van een paar kilometer (niet uitzonderlijk voor een kwak) naar de Diergaarde waar ze bij de flamingovijver met de ooievaars concurreren om de eendagskuikens.

Begin juni is het nest verlaten. Er klinken geen rauwe kreten van hongerige jongen uit de kruin van de kastanje. De kwakken huizen nu in een treurwilg, vlak boven een vijver en verschalken zelfs af en toe een visje. De tienduizenden bezoekers van het Dunya Festival die afgelopen zondag op korte afstand passeerden, lieten het kwakkenpaar volkomen onberoerd. En dat was wederzijds.