Joggen over de Zweedse middenberm

Onze beschaving lijdt aan vele kwalen, en de ergste is misschien wel de pathologische behoefte aan de medemens zaken te verklaren die men zelf niet begrijpt. Sommigen noemen dat cultuurfilosofie, anderen reppen van journalistiek, en weer anderen hebben er nog onvriendelijker woorden voor. Dit stuk is er een voorbeeld van. Het gaat over de popgroep ABBA – neen, erger nog: over de Engelse documentaire ABBA: The winner takes it all die hedenavond op RTL4 wordt vertoond – en het heeft geen andere rechtvaardiging dan de roekeloze oordelen die opborrelen uit de volkomen leegheid van de hersenpan na meer dan een uur Zweedse discomuziek uit de jaren zeventig.

`De mensheid kan niet veel werkelijkheid verdragen', schreef T.S. Eliot ooit, en hij had gelijk, hoewel hij nog nooit Zweedse discomuziek had gehoord, noch deze documentaire had gezien vol ABBA-hits zoals Ring Ring, Honey Honey, Money Money Money, Super Trouper, Chiquitita en Dancing Queen. Dat laatste nummer is het succesvolste liedje van ABBA, heeft enige reputatie als de meest verkochte single aller tijden in Australië (zoals men weet een continent met een smetteloze muzikale smaak) en als tribale herkenningsmelodie in de homo- en travestie-scene.

Voor wie nimmer een discotheek in de jaren zeventig heeft bezocht, is het wellicht verhelderend te weten dat ABBA een muziekensemble was dat bestond uit de componisten Björn Ulvaeus en Benny Andersson, alsmede de zangeressen Agnetha Fältskog (de blonde) en Anni-Frida Lyngstad (de donkere). Omdat Anni-Frida was getrouwd met Björn, en Benny met Agnetha, kwam hun manager op de lumineuze naam ABBA, tot dan toe in Scandinavië bekend als een conservenmerk. Tussen het moment dat zij in 1974 met Waterloo het songfestival wonnen en het uiteenvallen van de huwelijken en van de groep in 1982 verkochten zij meer dan 250 miljoen platen. Op het hoogtepunt van hun roem was hun bijdrage aan de Zweedse export groter dan die van de Volvo-automobielen – en ze zagen er ook nog beter uit, vond men destijds.

Nu wil ik niet beweren dat er geen interessante zaken te zeggen zouden zijn over ABBA, maar dat betekent allerminst dat ABBA zelf buitensporig interessant is. Dit is het soort vergissing dat ten grondslag ligt aan veel van de fascinatie der intellectuelen met low culture, en dat ook deze documentaire tot een nogal pijnlijke poging tot serieuze pop-duiding maakt. Men zal mij nimmer op een kwaad woord over ABBA kunnen betrappen, maar pogingen hun discodeuntjes te vergelijken met het oeuvre van The Beatles (zoals de vegetarische rockster Bono doet) is bedroevender dan ironie; het is een abuis. ABBA is middenberm-muziek: een knappe fusie van de veiligste elementen van pop, disco, en de destijds door onder meer David Bowie beoefende glamrock (zie de glitterpakjes). Bovendien kon ABBA bloeien dankzij een koopkrachtige generatie tieners die op drift was in een tijdperk van cultureel verval (de Partridge Family en Mud geselden toen de hitparades). ABBA-liedjes zijn onweerstaanbaar in de file, maar dat is te weinig om deze documentaire te redden, en al helemaal geen excuus voor de ABBA-musical Mamma Mia! die nu in Londen furore maakt.

De verslavende aantrekkelijkheid van ABBA heeft trouwens een oorzaak die in deze documentaire helemaal niet wordt genoemd. Voor veel van de melodieën werd de basis gelegd tijdens het joggen van Benny & Björn, en dat verklaart die onophoudelijke maar monotone tred waarmee de muziek zich voortbeweegt. Dat talloze volwassenen daarin nu nog steeds aardigheid scheppen, zal de op één na ergste kwaal van onze beschaving zijn.

ABBA: The winner takes it all, zaterdag, RTL4, 22.30-23.40u.