`Ik ben hier de enige naïeveling'

Martin Šimek bewon- dert zijn gasten mate- loos. Zijn bewondering is echt, zegt hij. Hij bespeelt zijn gasten zoals hij vroeger tenniste, de sport die zijn grote passie is. `In dat ene moment moet je teder en agressief tegelijk zijn'.

Hij móest wel vluchten uit Tsjechië. Op 28 augustus 1968. Zijn familie bleef achter: moeder, vader en twee oudere broers. Ze waren getrouwd, hadden hun gezinnen, hadden banden die ze niet wilden verbreken. Maar Martin Šimek was 19 en vrij. Dus toen de Russen kwamen om een einde te maken aan de Praagse Lente, ging hij.

,,Mijn vader had me steeds aangemoedigd om te gaan, maar toen het moment aanbrak zei hij: `Blijf nou, straks wordt alles beter'. Hij zei, ik regel een diplomatiek paspoort voor je, terwijl we beiden wisten dat dat onzin was. Hij, de anticommunist, die voor zijn querulantenzoon een diplomatiek paspoort zou kunnen bemachtigen.

,,We liepen voor het laatst naar de trein, hij en ik. Nog heel even in de coupé zei hij: `Sorry dat ik je probeerde tegen te houden. Ik ben juist heel blij dat je weggaat'. Hij vertelde me hoe hijzelf in 1948 had willen vluchten, toen ons land communistisch werd, maar dat hij toen niet gedurfd had. `Als ik toen gegaan was, waren we nu al twintig jaar vrij geweest', zei hij. `Maar jij was nog in je moeders buik, je broers waren nog klein en ik was bang dat jullie honger zouden lijden, in den vreemde. Ik vraag je daarvoor je vergiffenis'. Toen stond hij op, verliet de coupé en liep het station uit. En hoewel hij zich niet omdraaide, wist ik dat hij huilde.''

Het kost Šimek moeite om het te vertellen. ,,Om het feit dat iemand die zich zijn leven lang voor zijn gezin heeft opgeofferd, zich verontschuldigde aan een snotneus. Om het feit dat ik daarna nooit meer iemand heb ontmoet die me zo dierbaar is. Om het feit dat toen die trein vertrok, ik dacht dat ik over vijf jaar terug zou komen, en alles weer zou worden zoals het was.

,,Inmiddels ben ik zoveel wijzer. De vrijheid heeft mij veel minder gebracht dan ik toen hoopte te vinden. En mijn vader heb ik pas weer teruggezien op zijn sterfbed, dertien jaar later. Onherkenbaar veranderd. Dat maakt het ieder jaar moeilijker om over te praten.''

Het verdriet dat programmamaker, cartoonist en columnist Martin Šimek (1948) met zich meedraagt had hem bitter kunnen maken, maar dat lijkt niet te zijn gebeurd. In zijn radio- en televisievraaggesprekken voor de RVU betoont hij zich een schaamteloos bewonderaar. Hij prijst zijn gasten, vertelt hun hoe leuk ze zijn, hoe bijzonder. Of het nou om Harry Mulisch of om onbekende Nederlanders gaat, zijn gesprekken zijn met een zweem van aanbidding omgeven.

Soms wordt dat te veel. Dan moet de nuchtere Nederlander zijn hoofd bijna afwenden, zo intiem wordt hij dan met zijn gast, zo onverbloemd toont hij zijn adoratie. ,,Het liefst zou hij ze allemaal aan zijn borst drukken'', schreef televisierecensent Frits Abrahams ooit. ,,En hen voor de rest van zijn leven vertroetelen in de grote Martin Šimek-crèche op het RVU-terrein.''

In zijn nieuwste televisieprogramma, Šimek Adverteert!, dat vorige week dinsdag begon, ontmoet hij onbekende Nederlanders met een droom of een opmerkelijk verhaal. Iedereen is welkom. Sommigen komen alleen maar even zeggen hoezeer ze hem bewonderen, anderen zingen een liedje of spelen een geïmproviseerd toneelstukje.

,,Ik denk dat het een lawine wordt'', zegt Šimek. ,,Misschien ben ik te enthousiast, maar als ik zie wat voor reacties dit programma allemaal oproept: Ik kan bijna niet meer over straat! Ik zie dit ontwikkelen tot iets groots, tot een enorm succes.''

De tv critici dachten daar na de eerste uitzending anders over. `De gesprekjes zijn te mager', concludeerde NRC Handelsblad. Ook de Volkskrant was weinig flatteus. `Clubhuis tv', was het oordeel. En: `oninteressant'. Voor Šimek is de kritiek het zoveelste bewijs van zijn stelling dat de Nederlandse mediawereld geregeerd wordt door cynici. ,,Clubhuis tv is toch prachtig? Ik wil Nederlanders laten zien dat er hier mensen wonen die dromen hebben. Noem het naïef. Ik ben de enige naïeveling die de media is binnengedrongen. Me dunkt dat die naïviteit best van pas komt in Hilversum.''

Maar zo naïef is Martin Šimek niet. Achter zijn zware Tsjechische accent, zijn grootse gebaren en soms kinderlijk naïeve vragen, schuilt een slimme interviewer die precies weet waar hij naartoe wil. Mensen onderschatten hem, vertellen hem meer dan ze eigenlijk van plan waren. De ongemakkelijke stiltes die hij soms laat vallen, worden niet zelden haastig door zijn gesprekspartners opgevuld – met alle opmerkelijke uitspraken van dien. ,,Alles wat ik zeg is eigenlijk gelul'', zei Emile Ratelband in zijn bijzijn.

En Martin Šimek kan ook heel cynisch zijn. In zijn wekelijkse column in De Groene Amsterdammer betoont hij zich in stellingen een kil observator.

`Maakt een vrouw die verkracht wordt door een soldaat en een orgasme voorwendt, zich schuldig aan collaboratie?', schreef hij naar aanleiding van de oorlog in Kosovo.

Ook in zijn wekelijkse cartoon in de boekenbijlage van NRC Handelsblad komt hij scherp, zij het milder van toon, voor de dag. Met teksten als: `Ik kan wel janken als ik me bedenk wat het magische woordje kut voor me betekende voordat ik mijn vrouw zo ging noemen'.

Hij grinnikt. Zijn cartoons en columns zijn misschien een uitlaatklep voor zijn cynische kant, zegt hij. ,,Want natuurlijk ben ik dat ook, ik zeg niet dat ik het cynisme overwonnen heb. Maar ik ben het op papier, nooit tegen mensen. Dat is koud en gevoelloos. Mijn bewondering voor hen is echt. Ik denk dat mijn cartoons voortkomen uit het feit dat ik hard ben voor mezelf. Maar met anderen heb ik mededogen.''

Toch loopt hij niet weg voor zijn schaduwzijde. ,,Ik vind het niet erg om verschillende gezichten te hebben. Ik wíl dat ook. Ik wil niet vier kanten hebben, want dan ben ik een vierkant. En zelfs de zes kanten van een dobbelsteen vind ik nog te weinig. Ik wil alle kanten hebben, oneindig veel. Ik wil rond zijn.''

Martin Šimek kwam op zijn 19de als vluchteling van Wenen naar Nederland. Hoewel hij het klimaat er vervloekt, is hij er toch gebleven. Hij is blijven hangen, zo zegt hij, omdat het zo weinig leek op Praag. ,,In Wenen had ik steeds heimwee, omdat alles me er aan mijn vaderland deed denken. De huizen waren Praagse huizen, maar dan lelijker. De pleinen waren Praagse pleinen, maar dan lelijker. Alles was surrogaat, dat was zo pijnlijk.

,,In Nederland had ik dat gevoel niet. De grachten, de gebouwen, de sfeer; alles was anders en ik vond het prachtig. Ik dacht, hier kan ik met liefde wonen, zonder verraad te plegen aan mijn land. Ik hoorde me laatst tegen mijn vriendin zeggen dat ik haar gekozen heb omdat ze een halfbloed is. Zij lijkt in niets op Tsjechische meisjes. Was dat een grap, bedacht ik meteen daarna?''

Hij zegt: ,,Ik richt mijn leven nog steeds zo in dat ik morgen mijn koffers kan pakken. Ik hecht niet aan materiële dingen. Omdat ik heb gezien hoe mensen in één dag alles verloren, en daaraan kapot zijn gegaan. Je mag wel íets hebben, maar je moet begrijpen dat het niet voor eeuwig is. Dat heb ik ook in relaties. Ik kan me niet voorstellen dat ze voor altijd zullen duren. Want als ik daarin ga geloven, ben ik ongelooflijk kwetsbaar. Waarschijnlijk heb ik daarom ook geen kinderen. Omdat ik besef dat, hoe leuk en speels kinderen ook zijn, ze je ook, net als destijds mijn broers en mijn ouders, ergens vast kunnen houden waar je niet wilt zijn.''

Hij heeft alles in het leven aan tennis te danken, zo zegt hij: zijn ontspannen houding, zijn plezier in mooie dingen, zijn interviewtechniek en zijn passie. ,,Ik hou ontzettend van die sport. Van de speelsheid, het uitdenken van de strategie, het psychologisch onder druk zetten van de tegenstander, het aanvoelen van de bal. Als vrouwen verliefd op me waren heb ik dat aan tennis te danken omdat ik op de baan begrepen heb wat touch is.''

Hij gaat staan, ineens in zijn element. De voeten uit elkaar, soepel door de knieën, tennissend zonder racket, zonder bal. ,,In voetbal neem je een bal aan'', brengt zijn knie omhoog, ,,en speel je hem weg'', schopt met zijn voet. ,,Bij tennis kan dat niet, je kan de bal niet aannemen. Je raakt de bal maar één keer. Dus in dat ene moment moet je teder én agressief zijn. Want als je alleen agressief bent, krijg je geen contact met die bal. En als je niet agressief bent, krijg je hem nooit hard weg. Als je dát aanvoelt, voel je eigenlijk alles aan. Voel je ook aan hoe je met iemand moet praten, hoe je iemand voor jezelf kunt winnen, hoe je mensen kan manipuleren. Hoe je moet beminnen. Dan begrijp je alles.''

Hij zegt: ,,Ik denk, dat je maar één ding hoeft te leren in het leven. Dat je maar van één ding tot de kern hoeft door te dringen om de rest te kunnen volgen. Voor mij was dat tennis, voor een ander kan dat wiskunde zijn, of het opereren van een patiënt. Of het maken van een tafel. Mensen die zoiets niet hebben, hebben niet zo'n leuk leven. Degene die passie heeft, is gezegend. Want wie passie heeft, heeft een grotere kans om tot de kern van iets door te dringen.''

Zijn liefde voor tennis begon op negenjarige leeftijd, toen hij bij toeval langs een tennisbaan fietste. Er was net een wedstrijd aan de gang. ,,Ik zag daar hoe een dikke man van vijftig won van een jongen die zijn zoon had kunnen zijn. En ik stond ademloos met mijn neus op het gaas, me te verwonderen hoe dat kon. Met hardlopen had ik nog nooit een dikke man zien winnen van een jongen. En met hoogspringen ook niet. Ik zag dat die dikke man moest hijgen, maar hij stond wél voor. Omdat hij slim speelde. Ineens realiseerde ik mij, dat dit een spel was waarbij je ook als je niet sterk bent, kan winnen. Als kind voelde ik dat dat iets belangrijks wilde zeggen. Dat dat met die dikke man iets zei over ons, in Tsjechië. En hoe we een dag het regime te slim af zouden zijn.''

Hij verdiende jarenlang zijn brood als tenniscoach. Liever had hij zelf toptennisser willen worden, maar daarvoor had hij te weinig talent, zegt hij. Als coach heeft hij die top wél bereikt. Hij coachte Michiel Schapers vanuit het niets naar nummer 25 op de wereldranglijst, een prestatie waarover het wereldje nog met bewondering spreekt.

Hij zou alles opgeven, zegt hij, om nu nog coach van toptalent te zijn. ,,Ik mis het ontzettend. Als ik nu nog op de baan kon staan, dan denk ik niet dat ik nog zou interviewen.'' Maar hij heeft zijn kans verprutst, zo zegt hij spijtig.

In 1993 besloot Jonas Svensson op zijn advies met tennis te stoppen. ,,Een groot talent, ooit nummer tien op de wereldranglijst. Maar toen hij naar me toekwam met de vraag hem te helpen, bleek hij niet het tennis te bedoelen. Die jongen was zo depressief, zo ongelooflijk ongelukkig, die wilde, bij wijze van spreken, het liefst gewoon dood. Toen heb ik hem geadviseerd het winnen op te geven, althans, op de baan. Vandaag is hij heel gelukkig, is getrouwd, heeft een kindje en bewoont als multimiljonair een deel van het jaar een piepklein huisje in hetzelfde Italiaanse dorpje waar ik een huis heb. Maar de tenniswereld dacht, die Svensson is onder invloed van die Šimek gek geworden. Anders geef je niet vrijwillig het grote geld op. Ik had het verbruid. Ik realiseerde me dat, wilde ik terugkomen als coach, ik weer helemaal opnieuw zou moeten beginnen. Ik zag daar vreselijk tegenop.''

Kort daarna werd hij door de RVU gebeld of hij vraagesprekken wilde gaan doen voor de radio. Hij was te gast geweest in het RVU-programma Kleur Bekennen en was daar zó opgevallen, dat hem gevraagd werd of hij zelf dat programma wilde gaan presenteren. Een jaar later kwam daar televisie bij.

Sinds 1983 woont hij een groot deel van het jaar in Italië, en het andere deel in Nederland. Hij vindt het prettig geregeld zo. ,,In Italië geniet ik van de bluf van de Italianen. Van hun bravoure, en de manier waarop ze zich aan hun passie overgeven. Maar ik zou ook niet zonder de nuchterheid van de Nederlander kunnen. De Italianen kunnen zo ontsporen soms, doordat ze geen maat weten met hun emoties. Daarvoor ben ik toch te veel met logica opgevoed. Doordat ik tussen beide landen reis, behoud ik de afstand om van beide te genieten.''

De Nederlanders heeft hij in dertig jaar een beetje leren kennen. Hij weet ongeveer hoe ze in elkaar zitten, heeft de taal leren spreken. ,,Het is een beetje mijn kudde geworden'', zegt hij, ,,hoewel ik hier natuurlijk ook nog steeds een beetje als Alice in Wonderland rondloop.''

De consequentie is, zo constateert hij, dat hij overal een buitenstaander blijft. In Tsjechië zou hij voorlopig niet willen wonen. ,,Ik heb altijd gedacht dat ik terug zou willen naar Praag, en na de omwenteling in 1989 ben ik er vaak geweest. Maar ik heb gemerkt dat het heel moeilijk is voor mij te vergeven. Want, mag ik überhaupt vergeven in naam van mijn ouders? Hun leven is onder het regime vernield.

,,Mijn vader had een groot dichter moeten worden. Hij was een groot talent. Zijn gedichten zijn prachtig, zijn toneelkritieken meesterlijk. Maar hij heeft voor de la geschreven. In plaats van te scheppen, moest hij ploeteren om voor zijn gezin te zorgen. Moest hij van het regime zakken sjouwen in een cementfabriek waardoor hij astma kreeg. Dat heb ik altijd een heel groot onrecht gevonden.

,,Als ik nu met iemand spreek in Praag, weet ik niet of hij misschien degene is die daarvoor verantwoordelijk is geweest. Of hij zijn auto heeft betaald met gejat geld van de intellectuelen. Hoe hij aan het geld gekomen is om zijn restaurant te openen. De wond is nog te vers.

,,Vergeet niet, het is nog maar tien jaar geleden. De beulen leven nog. Op een bevolking van 10 miljoen zijn 1 miljoen collaborateurs geweest. In Duitsland heb je na de Tweede Wereldoorlog nog Neurenberg gehad. Dan kun je een tijdperk afsluiten. Maar in Tsjechië kan iedereen om mij heen schuldig zijn. Ik zie schimmen, en ik denk steeds, wie zijn deze mensen?''

Hij zegt: ,,Toen ik een kind was, dacht ik dat het bereiken van de vrijheid al de Olympus was. Dat dat genoeg zou zijn. En dan maar gelukkig zijn en oogsten. Maar dat viel tegen. Toen ik in Nederland kwam, zag ik de volle warenhuizen, de ontevreden mensen. Ik kwam er al gauw achter dat leven in vrijheid niet automatisch een pretje is. Want vrijheid is kiezen, en kiezen is het moeilijkste dat er is.

,,In dat licht troost ik me wel eens met de gedachte dat mijn ouders misschien een stuk minder ongelukkig waren dan ik had gezien. In Tsjechië was onze ellende overmacht. In zo'n situatie is het veel gemakkelijker om tot gelukjes te komen. Als je in vrijheid leeft, jezelf de schuld bent van alles.

,,In Tsjechië dacht ik altijd, als mijn vader in vrijheid had geleefd, had hij zijn hele leven gewijd aan kunst en literatuur. Inmiddels ben ik zo ver dat ik denk dat ploeteren voor je kinderen misschien wel het hoogste geluk is dat er bestaat. Was ik zelf immers ook niet het gelukkigst op momenten dat ik honderd procent in het moment opging, en ten volle leefde?

,,Als ik er zó naar kijk, leefden mijn ouders eigenlijk voortdurend in het moment. En waren zij misschien dus wel heel gelukkig omdat hun leven voortdurend in gevaar was. Dat is een troost voor mij. Maar genoeg is het natuurlijk niet. Want op hetzelfde moment realiseer ik me dat zij nooit de gelegenheid hebben gehad zelf te beslissen over hun leven. Als ik zie hoeveel plezier ik zélf heb beleefd aan het maken van keuzes, dat hebben zij nooit gehad. Ook zij hadden verdiend de uitdaging met de vrijheid aan te mogen gaan. Dat dat niet mocht, zal voor mij altijd een litteken blijven.''