HET WOUD DER INITIATIEVEN

Handig toch, zo'n roc waarin àlle beroepsopleidingen bij elkaar in één organisatie zitten. Of niet? De leerfabriek blijkt een doolhof.

`Ik ben nu zes jaar in Nederland, maar ik ben hier weer baby geworden.'' Zo verwoordt Neçdet Kartal (40) zijn gevoelens over de korte beroepskeuzecursus (TIP, Taalleerders Intake Programma) die hij volgde op het Rotterdamse Albeda College. Een van de onderdelen was dat hij bij een andere cursist de tanden moest poetsen. ``Vreemd'', vindt Kartal dat. ``Ik weet niet waarom dat moet, maar ik heb het niet gedaan'', zegt hij en schudt zeer beslist zijn hoofd. ``Dat gebeurt om te zien of iemand geschikt is om in de verzorging te werken. Zo kijken we of hij niet terugschrikt van lijfelijk contact'', verklaart docente Margriet de Rooij de tandenpoetstest. ``Maar sommige leerlingen weigeren het te doen, dus ik stel het niet verplicht.'' Via TIP, dat het Albeda College aanbiedt in samenwerking met het Regionale Bureau Arbeidsvoorziening aanbiedt, wordt gekeken voor welke sector iemand geschikt is. Dat, samen met het arbeidsmarktperspectief, bepaalt het vervolgtraject.

Neçdet Kartal is econoom en werkte in Turkije als landmeter. In Nederland bleef zijn carrière steken in een pizzeria. Tot nu toe heeft niemand hem kunnen vertellen of en hoe hij zijn oude vak weer kan oppakken, want dat is wat hij eigenlijk wil. Het arbeidsbureau riep hem op voor de cursus TIP. Maar waarom? Hij haalt zijn schouders op. ``Is procedure?''

Het TIP is één van de ruim 200 cursussen en opleidingen die het Albeda College aanbiedt. Als ROC (Regionaal Opleidingen Centrum) verzorgt het Albeda College zowel opleidingen volwasseneneducatie (zoals Nederlands voor allochtonen, NT2) als secundaire beroepsopleidingen. Die samenvoeging werd in 1996 bij wet afgekondigd, want dat zou leiden tot een betere doorstroming en doorverwijzing van leerlingen. En dat zou dan - onder meer - de enorme uitval in het MBO terugbrengen. Dit uitval schommelt tussen de veertig en vijftig procent, met de kanttekening dat onbekend is hoeveel uitvallers definitief afhaken en hoeveel van hen later een andere studie oppakken.

Of de doorstroming en doorverwijzing sterk zal verbeteren is de vraag. Er zijn verschillende projecten gestart om de doorstroom van leerlingen te bevorderen, maar tegelijkertijd wordt het onderwijs geteisterd door een veelheid aan organisatorische (fusie)perikelen. Vooralsnog blijft het uitvalspercentage van leerlingen hoog, hoewel er afgelopen schooljaar op het Albeda College relatief minder eerstejaars uitvielen dan de jaren daarvoor, namelijk 13% tegenover 20 tot 30%. Ook een betere verwijzing en voorlichting aan leerlingen laat te wensen over op de ROC's. De grootte van deze leerfabrieken maakt ze tot ware doolhoven, zowel voor medewerkers als cursisten. Zo telt het Albeda College in Rotterdam maar liefst 25.000 cursisten en 200 opleidingen verspreid over ruim veertig locaties en is daarmee één van de grootste van de 46 ROC's die Nederland telt.

TWEE DEUREN

Het gevolg van die omvang is dat goed bedoelde initiatieven, werkgroepjes en platforms bij wijze van spreken twee deuren verderop al niet meer bekend zijn. De voortdurende naamsveranderingen van opleidingen, projecten, cursussen en diensten draagt daar zeker aan bij. Dit probleem speelt overal doorheen. ``Verandering is de enige constante in het onderwijs'', zegt Carla Kathmann, hoofd Trajectbureau, dat de doorstroom van de Albeda-leerlingen moet bevorderen. In haar functie kent zij de breedte van het ROC en ze beaamt dat het een `doolhof' is. ``En dan heb je nog geluk als niet iedereen in afkortingen praat, want dat is helemaal verwarrend.''

Ook het management is zich bewust van de doolhofstructuur, aldus Wil Langejan, beleidsmedewerker van het College van Bestuur. Zij is als `materiedeskundige' één van de weinigen binnen het Albeda College met een compleet overzicht. ``Er gaat veel energie zitten in het organisatorische aspect, en omdat je energie maar één keer kunt uitgeven heb je minder tijd en oog voor het onderwijs.'' Ook de Onderwijs Inspectie constateert dit in het Onderwijsverslag 1998. Gevolg is dat docenten onvoldoende op de hoogte zijn van wijzigingen, veranderingen en nieuwe initiatieven. ``Zij krijgen zoveel informatie over zich heen dat ik mij voor kan stellen dat zij niet alles paraat hebben'', zegt Langejan. Zij gelooft niet dat de leerlingen hierdoor gedupeerd worden, maar hoe kun je als docent goed doorverwijzen als je niet over alle informatie beschikt? Voor leerlingen zijn de docenten de belangrijkste wegwijzers in het doolhof van het ROC. En hoe houd je je als docent staande in zo'n leerfabriek, waarin je als docent het overzicht niet hebt en waarin voortdurend alles verandert?

Caroline Kramer, coördinator van de verlengde assistentenopleiding wordt er soms ``knettergek'' van, bekent ze. Wat drie jaar geleden startte als `voortraject', werd twee jaar geleden het `VOA' en heet nu verlengde assistentenopleiding of A3 opleiding, waar - om het gemakkelijk te maken - de VOA een onderdeel van is. Maar niet alleen de naam veranderde, ook de inhoud moest steeds aan nieuwe regels voldoen, vertelt Kramer. En ook de wetgever steeds met nieuwe eisen en plannen komt.

Als zelfs degenen die middenin de organisatie zitten al niet weten welke initiatieven overal bestaan, is de vraag hoe de vluchteling die net een jaar in Nederland is en gebrekkig Nederlands spreekt, zijn weg kan vinden in dit land vol afkortingen en onbekende woorden? Na afloop van een lesje beroepskeuze aan inburgeraars laat cursiste Desta Gebremariam (24) aan docente Carla Kooistra een advertentie van een geriatrisch verpleeghuis zien. ``Wat is dat?'' vraagt ze. ``Geriatrisch, dat betekent met oude mensen werken.'' Desta is ruim twee jaar in Nederland en wil BBL (Beroeps Begeleidende Leerweg) Verzorging doen. Dat betekent vier dagen werken en één dag school. Daarvoor moet ze zelf een baan (praktijkplaats) zoeken. Zoiets kan voor allochtone leerlingen met een beperkte kennis van het Nederlands een behoorlijk struikelblok zijn, vertelt Kathmann, die dat via het Trajectbureau beter wil gaan begeleiden. Volgens Elizabeth Ndiaga (28), leerling verpleegkunde, komt het binnen het ROC vooral aan op eigen initiatief ontplooien. Als je dat niet doet ``wordt het moeilijk'', denkt zij. Voor Elizabeth waren haar klasgenoten een belangrijke bron van informatie. ``Als mijn mede-studenten iets zagen dat voor mij interessant was dan gaven ze dat aan mij door en omgekeerd. De klas is gelukkig wel een kleine gemeenschap.''

DREMPEL

Aan de hoge uitval van cursisten liggen vele oorzaken ten grondslag. Zo is het laagste niveau van het secundair beroepsonderwijs (assistentenopleiding) in theorie drempelloos, maar in de praktijk blijkt voor velen de drempel te hoog. ``Leerlingen stranden omdat ze niet voldoende Nederlands kennen, of omdat ze te weinig begeleid worden. Als je die leerlingen niet de hele dag recht in de ogen kijkt gaat het fout'', vertelt Caroline Kramer. Zij is coördinator van de verlengde assistentenopleiding, een pilotproject op het Albeda College, dat met geld van het ministerie van Onderwijs is opgezet. Hierin worden risicoleerlingen - jongeren zonder VBO- of MAVO-diploma - binnen anderhalf tot twee jaar met extra begeleiding en (taal)ondersteuning toegeleid naar het diploma van assistentenopleiding. In de praktijk van alledag zijn de docenten, en de cursisten, echter al blij met ieder deelcertificaat dat gehaald wordt. ``Al heb je maar een deelcertificaat `sjouwen', zeggen wij hier wel eens voor de gein, dan ben je al gekwalificeerd,'' zegt Kramer. Daarin blijkt zij onjuist geïnformeerd, legt materiedeskundige Langejan later in haar kantoor uit. ``Je bent alleen gekwalificeerd voor de arbeidsmarkt met een MBO-niveau-twee-diploma''. Of het werkt is nog te vroeg om te zeggen, aangezien de opleiding in zijn huidige vorm pas dit schooljaar van start ging. Voor Gülkiz Tarhan (17) werkt het in ieder geval wel, vertelt ze. Gülkiz bleef in drie-MAVO zitten op de exacte vakken en durfde niet door te gaan. Omdat het VBO `vol zat' kwam ze op de verlengde assistentenopleiding terecht. ``Op de MAVO durfde ik niks te zeggen, omdat ik bang was hoe de leerlingen zouden reageren. Hier durf ik meer mijn eigen te zijn.'' Nieuw is ook een samenwerkingsproject tussen het Albeda College, ROC Zadkine en de Rotterdamse VBO/MAVO scholen, dat officieel vanaf het komend schooljaar gaat draaien en waarin al in het laatste jaar van het voortgezet onderwijs gestart wordt met vakken van het MBO.

Te weinig kennis van het Nederlands en vooral van de vaktaal is een van de belangrijkste oorzaken van de uitval van allochtone cursisten in het secundair beroepsonderwijs. Sinds de invoering van de WEB (Wet Educatie en Beroepsonderwijs), die vereist dat iedereen het onderwijs gekwalificeerd verlaat, stromen steeds meer allochtonen in in het MBO (3,8% in 1993/1994 tegenover 6,7% vorig jaar). Dit zijn niet alleen 16- en 17-jarigen, maar ook twintigers. Het beroepsonderwijs staat niet altijd positief tegenover deze groep cursisten, vertelt Kathmann. ``Ze ontmoedigen leerlingen van 25, 26 jaar door te zeggen dat er voor hen toch geen werk zal zijn als ze klaar zijn, omdat ze gewoonweg te oud zijn.'' Ook Nel Moerman, decaan NT2 en docent Spaans heeft de ervaring dat NT2 leerlingen moeilijk plaatsbaar zijn in het beroepsonderwijs. ``De opleidingen zijn huiverig omdat ze te maken hebben met hoge uitvalspercentages en lage opkomst in de lessen.''

VERKEERDE KIJK

Volgens Adil Turan, Teamleider van het Taalcentrum van het Albeda dat onder meer inburgeringscursussen verzorgt, heeft het beroepsonderwijs een verkeerde kijk op de nieuwe groep cursisten die instromen. ``Het beroepsonderwijs heeft de neiging te zeggen dat cursisten eerst het Nederlands perfect moeten beheersen, vóór zij aan een opleiding kunnen beginnen. Maar het idee van educatie is juist dat je alleen nog maar verder komt met je taal als je een vak leert of ergens werkt. En als een leerling extra ondersteuning op taalgebied nodig heeft moet hij dat krijgen, specifiek op zijn vak gericht. Vroeger kregen cursisten in een beroepsopleiding die extra taalondersteuning nodig hadden dit via de Werkplaats Taalschool, maar als Taalschool hebben wij ons toen teruggetrokken'', aldus Turan. ``Of het nu ergens anders gegeven wordt weet ik niet.'' Navraag leert dat de Werkplaats Taalschool sinds vorig jaar onder een andere structuur en naam opereert, namelijk Taalwerkplaats. Maar de Taalwerkplaats is niet de enige plek. Zo heeft Moerman in haar sector economie het initiatief genomen tot steunlessen Nederlands, omdat zij merkte dat haar leerlingen de vragen in de boeken niet begrepen. ``Ik denk inderdaad dat we op meerdere plaatsen bezig zijn het wiel uit te vinden'', reageert zij. Daarom is er medio april een werkgroep `doorstroom allochtonen naar het beroepsonderwijs', opgericht, waarin zowel het beroepsonderwijs als de volwasseneneducatie vertegenwoordigd zijn, met vakgerichte taalondersteuning aan cursisten als een van de aandachtspunten.

Naast leerlingen die afhaken omdat zij het zelf niet aankunnen wordt de doorstroom van leerlingen naar het beroepsonderwijs ook belemmerd door organisatorische problemen. Zo stromen er vijf keer per jaar cursisten uit het TIP naar het beroepsonderwijs, dat op zijn beurt maar één, hooguit twee instroommomenten kent. Hetzelfde probleem doet zich voor bij inburgeraars die zelfs tien keer per jaar uitstromen. Wie door wil naar een secundaire beroepsopleiding moet daarom soms maanden thuis wachten. Daarom zijn recent overbruggingsprogramma's ontwikkeld waarin de leerling - nog binnen volwasseneneducatie - zowel taalles krijgt als kennis maakt met vakken uit zijn toekomstige opleiding.