Gedwongen noordwaarts

TUSSEN DE 35 en 240 kilometer. Zover verlegden 22 vlindersoorten de noordelijke grens van hun verspreidingsgebied als gevolg van recente klimaatveranderingen. Dat meldde een internationale groep ecologen afgelopen donderdag in Nature. Het is de eerste studie die op een dergelijke grote schaal aantoont dat natuurlijke systemen reageren op de regionale opwarming die zich gedurende deze eeuw heeft voorgedaan.

Dit keer ging het om vlinders, maar ecologe Camille Parmesan denkt dat de studie waaraan ze meewerkte van bredere toepassing is. ``Vlinders zijn indicator-soorten. Uit de experimenten blijkt dat ze gevoelig zijn voor temperatuur. En als dat voor hen geldt, zal dat ook voor organismen als kevers, sprinkhanen en kikkers opgaan'', aldus Parmesan, die verbonden is aan de University of Texas in Austin.

Parmesan maakt zich, net als vele andere ecologen, zorgen over toekomstige klimaatveranderingen. In de volgende eeuw zal de temperatuur tussen de 2,1 en 4,6 °C stijgen, volgens modelberekeningen uit een rapport van het International Panel on Climate Change (IPCC, 1995). Op basis van die berekeningen verwachten ecologen ingrijpende gevolgen voor de natuur. Veel planten en dieren zullen hun leefgebied naar het noorden willen opschuiven, om `mee te lopen' met verschuivende klimaatzones. Maar niet alle organismen zullen daar volgens verwachting in slagen, omdat ze de verandering niet kunnen bijbenen. Zo migreert de Zilverspar met een snelheid van `slechts' 5 tot 30 kilometer per eeuw, voor de Esdoorn ligt dat getal tussen de 50 en 100 km/eeuw, voor de Es tussen de 20 en 50 km/eeuw en voor de Els tussen de 50 en 200 km/eeuw. Maar bij een voorspelde temperatuurstijging van 3 °C in de komende eeuw verschuiven de vegetatiezones met enkele honderden kilometers naar het noorden. De meeste bomen migreren ongeveer tien keer te langzaam om de klimaatverandering bij te houden, aldus een IPCC-studie uit 1990. Grote gebieden zullen daardoor te maken krijgen met een afname van populatiegrootte, àls die temperatuurstijging doorzet.

En ook al zouden organismen de verschuivende klimaatzones in principe bij kunnen houden, dan nog zullen ze daar volgens Parmesan soms moeite mee hebben. Zeker in een dichtbevolkt en ernstig versnipperd gebied als Noord-Europa. Parmesan: ``Veel natuurgebieden in het door de mens gedomineerde landschap zijn gefragmenteerd. Als een soort door veranderingen in het klimaat wordt verdreven uit het ene gebied, kan ze moeilijk een andere, geschikte habitat vinden. We verwachten dat er in dit moderne landschap veel soorten zullen uitsterven.''

Ook ir. Arnold van Vliet, verbonden aan het Instituut voor Milieu- en Klimaatonderzoek van de Landbouwuniversiteit Wageningen, maakt zich zorgen. ``Er verdwijnen momenteel veel te veel soorten en in een tijdsbestek van enkele decennia komen er amper nieuwe bij'', aldus Van Vliet, die sinds twee jaar de fenologie van een aantal planten en dieren in kaart brengt. Daaronder vallen jaarlijks terugkerende, door de temperatuur beïnvloede verschijnselen zoals bladval, begin van de bloei, trek van de vogels en het verschijnen van insecten. Zo bloeide de Hazelaar vorig jaar in Wageningen al op 9 januari. Tussen 1940 en 1960 gebeurde dat pas tegen het eind van de maand. Het Sneeuwklokje was ook aan de vroege kant vorig jaar. De plant stond begin januari al in bloei, anderhalve maand eerder dan tussen 1940 en 1960. Van Vliet: ``Door de recente opwarming zijn er verschuivingen gaande in de natuur.''

Iets dergelijks geldt voor vogels. Britse ornithologen publiceerden vorig jaar een onderzoek in Nature (1 januari) waaruit blijkt dat 20 van de 65 onderzochte vogelsoorten hun broedseizoen tussen 1971 en 1995 met gemiddeld 9 dagen vervroegden.

Het effect van temperatuurveranderingen doet zich op veel plekken gelden. Deze week stuurde het Wereld Natuur Fonds (WNF) nog een bericht rond over de alarmerende afname van zalm in de Stille Oceaan nabij Alaska. De populatie zalm kelderde in de jaren 1997 en 1998 dramatisch, aldus een studie die het WNF uitvoerde in samenwerking met het Marine Conservation Biology Institute in Seattle. De afname wordt toegeschreven aan de toegenomen temperatuur van het oceaanwater. Daardoor verandert de voedselketen en op de een of andere manier heeft dat volgens de onderzoekers tot een massale sterfte van jonge, trekkende zalm geleid. Hoe, weten ze niet. En of het een blijvend effect is kunnen ze ook niet zeggen. Het doet zich pas sinds twee jaar voor. Maar als het zich doorzet, moet de zalm zijn leefgebied volgens de onderzoekers naar het noorden verleggen, naar de Bering Zee.

Of alle voorspellingen uitkomen is natuurlijk niet te zeggen, aldus Van Vliet. ``Maar dat soorten reageren op temperatuurveranderingen staat vast, bijvoorbeeld door hun verspreidingsgebied aan te passen. Dat bewijst de studie van Parmesan.'' Die veranderingen hoeven trouwens niet altijd negatief te zijn. In de vlinderstudie werden de noordelijke en/of zuidelijke grenzen van in totaal 52 soorten bestudeerd. De ecologen betrokken uiteindelijk 34 soorten in hun grote-schaal-studie en dat waren allemaal niet-migrerende Europese vlinders. Van 22 soorten bleek dat ze hun leefgebied naar het noorden hadden uitgebreid en bij tweederde daarvan bleef de zuidelijke grens intact. Zij breidden hun gebied in het geheel gezien dus uit. ``Een soort kan van een klimaatverandering profiteren'', aldus Van Vliet. De Wageningse onderzoeker verwacht dat in Nederland bijvoorbeeld heel wat nieuwe plantensoorten een kans zullen krijgen wegens het veranderende klimaat. Hij noemt soorten als Handjesgras, Postelein, Druifkruid, Klein liefdegras en Maasraket. Iets dergelijks geldt voor bomen, aldus het IBN-rapport `Effecten van klimaatverandering op het Nederlandse bos'. Soorten als Tamme Kastanje, Gewone walnoot, Gewone esdoorn, Haagbeuk en Plataan zullen hun verspreidingsgebied tot in Nederland kunnen uitbreiden. Van Vliet: ``Op sommige plaatsen zal de biodiversiteit toenemen, maar op grotere schaal zal hij toch afnemen. Over het algemeen worden soorten in het nauw gedreven door klimaatverandering, zeker als hun leefgebieden versnipperd zijn.''

Volgens Van Vliet zijn er maar een paar mogelijkheden om de problemen te voorkomen. Hij noemt onder andere het behoud en de uitbreiding van natuurgebieden. ``Je kunt ook denken aan het aanleggen van een ecologische hoofdstructuur. En dan niet alleen in Nederland, maar in Europa of zelfs nog groter. Planten en dieren moeten zich van het ene naar het andere gebied kunnen bewegen. Want je kunt wel een mooi beschermd natuurgebied inrichten, maar als het klimaat verandert zullen sommige soorten zich willen verplaatsen. Daar moeten ze de ruimte voor hebben, anders verdwijnt zo'n soort.''