Enquête mag geen moordwapen zijn

Met haar gematigd oordeel over de ministers Borst en Jorritsma heeft de Tweede Kamer zich in het debat over het rapport van de Bijlmer-enquêtecommissie geenszins `in het been geschoten', meent Erik Jurgens.

Sommige reacties op de afloop van het Tweede-Kamerdebat over het rapport van de enquêtecommissie naar de Bijlmerramp vormen een gevaar voor het middel van de enquête als zodanig. Een parlementaire enquête is niet `het machtigste wapen tegen het kabinet', zoals het redactioneel commentaar van De Telegraaf vorige week suggereerde. Noch `schiet de Kamer zich in het eigen been' door de discussie die zij voerde over de Bijlmerenquête, zoals Rob Oudkerk het in PvdA-Vlugschrift van 6 juni uitdrukte. Ook hij heeft het over `het sterkste middel om het kabinet te controleren'. Teleurstelling over het feit dat het politieke oordeel over het rapport geen koppen heeft doen rollen, mag niet overheersen. Want daar gaat het niet in de eerste plaats om.

De parlementaire enquête kennen wij sinds de Grondwet van 1848, maar zij is tussen 1886 en 1983 maar één keer gebruikt. Tot de beroemde Arbeidsenquête van 1886 zijn acht enquêtes gehouden. De daaropvolgende enquête was die over het handelen van de Nederlandse regering in Londen in de periode 1940-1945. Pas in 1969 volgde het voorstel-Aarden c.s. (PPR) tot een enquête over concentratie van economische macht bij fusies (1969). Dit voorstel werd verworpen.

Bij de voorbereiding van het voorstel-Aarden was ik betrokken. Als kersvers Tweede-Kamerlid in 1972 heb ik mij – samen met de huidige minister van Sociale Zaken, Klaas de Vries – gezet aan een initiatief-voorstel van de wet tot verbetering van de Enquêtewet. Dit werd in 1977 aanvaard. De RSV-enquête uit 1983/'85 was het eerste gevolg van dit aldus herboren enquêterecht.

Waarom was dit parlementaire middel honderd jaar lang in onbruik geraakt? Wellicht omdat in diezelfde periode het parlementaire stelsel ontstond. Dit houdt immers in dat geen kabinet kan aanblijven wanneer het niet steunt op het vertrouwen van een meerderheid van met name de Tweede Kamer. De invoering van de vertrouwensregel schiep een andere relatie tussen kabinet en Tweede Kamer. Het werd mogelijk om via het vragen van inlichtingen aan het kabinet de benodigde informatie te krijgen en die desnoods af te dwingen.

Vanaf diezelfde periode werd de rol die het kabinet in de samenleving speelde bovendien steeds groter. Grote publieke diensten werden opgericht, zoals de spoorwegen en die voor levering van telefoon, water, gas en elektriciteit. Sociale wetgeving begon vorm te krijgen. Die groei van de rol van de overheid in het maatschappelijk verkeer is in deze eeuw sindsdien op alle fronten toegenomen.

Als de volksvertegenwoordiging inzicht wil krijgen in wat in de samenleving gebeurt, is zij daardoor in grote mate afhankelijk geworden van de informatie die de overheid geeft. Die informatie is tegenwoordig overstelpend (bij wetsvoorstellen, in beleidsnota`s, bij begrotingen, in antwoord op schriftelijke en mondelinge vragen, tijdens vragenuurtjes op televisie en radio). Maar ook los van de overheid vergaart het parlement veel informatie. Journalistiek, wetenschappelijk onderzoek en inbreng van belangenorganisaties spelen daarbij een grote rol.

Soms schiet dit alles echter tekort, vooral wanneer bronnen niet toegankelijk zijn of wanneer de complexiteit van het probleem het verkrijgen van een overzicht bemoeilijkt (bij de IRT-affaire of bij de nazorg van de Bijlmerramp). En dan kan het parlement zelf op onderzoek uitgaan. Het heeft daarbij het recht om getuigen te dagvaarden en deze onder ede te horen. Het kabinet zelf heeft deze middelen, dat wordt vaak vergeten, alleen wanneer sprake is van een strafproces.

Het parlement (en ook de Eerste Kamer) zou vaker van dit instrument gebruik moeten maken om bijvoorbeeld de feitelijke uitvoering van wetgeving na te lopen. Maar dan niet altijd zo grootschalig, en ook niet vooral als `wapen om het kabinet te controleren'. Het gaat er immers om zichzelf informatie te verschaffen over wat in de samenleving gebeurt. Daartoe behoort het optreden van de overheid, maar lang niet alleen dat: concentratie van economische macht door fusies, besmettelijke ziektes onder het rundvee (een enquête uit 1876) of schraperige zelfbevoordeling via opties behoren er ook toe.

Een enquête zoals die over de Bijlmerramp is geen doel op zich. Er is informatie boven tafel gekomen die er niet eerder was, of die niet eerder systematisch was bewerkt. De Tweede Kamer besloot tot deze enquête niet als `wapen tegen het kabinet' – want dan zouden de regeringspartijen hebben moeten tegenstemmen – maar omdat de samenleving meer informatie wenste te hebben over de gevolgen van de Bijlmerramp. En de Kamer beschikt in het enquêterecht over een stevig middel om betrokkenen, particulieren en overheidsdienaren, te dwingen die informatie ook te geven.

De commissie die het onderzoek verricht, heeft een ruime samenstelling: ook oppositiepartijen hebben er zitting in. Dat voorkomt politieke eenzijdigheid. De Kamer zelf debatteert na afloop van het onderzoek met de commissie, en geeft haar oordeel over de resultaten. Daarmee is het onderzoek als zodanig afgedaan. Maar hopelijk krijgt het een vervolg, zoals bij de IRT-enquête is gebeurd, of tot veranderingen van beleid (bijvoorbeeld betere coördinatie van hulpdiensten na een ramp).

De Tweede Kamer kan ook besluiten om over een aantal feiten die door het onderzoek boven tafel zijn gekomen – en die het overheidsoptreden betreffen – het kabinet ter verantwoording te roepen.

Dat is hier gebeurd, en wel op grond van de normale ministeriële verantwoordelijkheid. Dat de feiten, waarover het kabinet ter verantwoording wordt geroepen, zijn opgediept tijdens een enquête, is op zich niet relevant: zij hadden ook door de journalistiek of door wetenschappelijk onderzoek kunnen zijn gevonden.

De PvdA-Kamerleden Rob Oudkerk en Rob van Gijzel, beiden zeer betrokken bij de Bijlmerenquête, hebben vorige week op grond van een politiek oordeel over die feiten hun vertrouwen opgezegd in twee ministers. Zij stemden – wat op zichzelf ongebruikelijk is voor de leden van een fractie behorende tot de regeringscoalitie – vóór de motie van wantrouwen van de oppositie. Het is hun goed recht om als lid van de Tweede Kamer zelf te beoordelen of zij in die ministers nog vertrouwen kunnen stellen. Maar, anders dan zij naar aanleiding van de verwerping van de motie zeiden, doet het feit dat de rest van hun fractie – en de andere twee regeringsfracties – een ander politiek oordeel hadden, niets af aan de waarde van de gehouden enquête. Die blijft overeind en zal zeker gevolgen hebben voor het beleid.

Met haar gematigd politieke oordeel over de rol van de ministers Borst en Jorritsma heeft de Tweede Kamer zichzelf dus geenszins `in het been geschoten'. Zij heeft juist terecht een onderscheid gemaakt tussen een enquête en een politiek oordeel over het resultaat daarvan. Door de grote publieke aandacht zijn verwachtingen geschapen over een mogelijk koningsdrama. Wie daarop verzot is, moet vorige week teleurgesteld zijn.

Misschien heeft de meerderheid in de Tweede Kamer het parlementaire enquêterecht daarmee echter een dienst bewezen. De enquête moet immers niet worden gehanteerd als `wapen tegen het kabinet', om `koppen te laten rollen'. Zou die gedachte postvatten in de politiek, dan zou dit tot gevolg kunnen hebben dat de Tweede Kamer geen voorstellen meer wil aannemen tot het houden van een enquête – misschien opnieuw honderd jaar lang. Dat zou de parlementaire democratie verarmen: de samenleving heeft de informatie uit enquêtes als deze hard nodig, ook als die informatie hard aankomt.

Erik Jurgens is lid van de Eerste Kamer en maakt deel uit van de PvdA-fractie.