Einsteins vulpen

In het depot van Museum Boerhaave in Leiden liggen talloze stukjes geschiedenis van de natuurwetenschap opgeslagen achter gordijnen en in ladenkasten. Zoals de vulpen die Einstein aan Ehrenfest schonk.

PAUL EHRENFEST, in Leiden de opvolger van Lorentz, en Albert Einstein waren boezemvrienden. In de winter van 1912, kort voor zijn benoeming, had Ehrenfest Einstein in Praag opgezocht en was diep onder de indruk geraakt. Van zijn kant logeerde Einstein graag in de Witte Rozenstraat, waar de Ehrenfests in 1914 een witte villa hadden betrokken. Ze bespraken er de quantumtheorie, speelden duetten voor piano en viool en gingen op bezoek bij Lorentz, hun beider idool. Zelfs mocht Einstein bij Ehrenfest thuis pijproken.

Tijdens de oorlogsjaren, toen een hernieuwd bezoek aan Leiden aanvankelijk op problemen stuitte, correspondeerden Ehrenfest en Einstein uitvoerig over de algemene relativiteitstheorie. Einstein had in Ehrenfest en Lorentz zeer geïnteresseerde lezers en regelmatig zond hij proefdrukken van zijn artikelen. Leiden was voor hem een oase. ``Ik verlang er constant naar opeens bij je op te duiken'', schreef hij Ehrenfest op 24 mei 1916. In de herfst kon Einstein alsnog twee weken naar Leiden. Hij was laaiend enthousiast: ``De stimulerende dagen die ik bij je doorbracht zijn als een droom die ik steeds herbeleef'', schreef hij na terugkeer in Berlijn. Ook toonde hij zich verheugd dat hij bij zijn bezoek Ehrenfest zozeer van de schoonheid van Bachs koralen had weten te overtuigen dat deze maanden lang meer tijd aan Bach dan aan de natuurkunde spendeerde. ``Je boft maar dat je niet meer hoeft te wachten op iemand die Bach voor je speelt.''

In 1919 nodigde Ehrenfest, na zijn collega's te hebben geconsulteerd, Einstein uit de overstap naar Leiden te maken. Geld speelde geen rol — ``ons maximum salaris van 7500 gulden is jouw minimum'' — en collegeverplichtingen waren er niet. Ook mocht Einstein reizen zoveel hij wilde en over de taal hoefde hij zich geen zorgen te maken: wat hij aan Nederlands nodig had, leerde hij binnen twee weken. Ehrenfest: ``Antwoord me per omgaande: `Hm, wat je me voorstelt is zo stom nog niet'.''

Maar Einstein wilde Max Planck niet voor het hoofd stoten en bleef in Berlijn. Daarop bood Ehrenfest hem aan bijzonder gasthoogleraar te worden, waarbij hij jaarlijks drie à vier weken in Leiden zou verblijven. Het idee van ``een komeetachtig bestaan in Leiden'' sprak Einstein aan. Het duurde even voor de formaliteiten geregeld waren – intussen werd Einstein op een bijeenkomst in de Berlijnse Philharmonie uitgemaakt voor publiceitsgeile hond, plagiator, bedrieger en wetenschappelijke dadaïst – maar op 27 oktober 1920 was alles rond en kon Einstein in het Academiegebouw aan het Rapenburg zijn inaugurele rede houden.

Einstein sprak bij die gelegenheid over `de ether en de relativiteitstheorie', een onderwerp dat aansloot bij zijn recente correspondentie met Ehrenfest. Die had hem aangeraden flink wat exemplaren van de rede te laten drukken, omdat ze ``als warme broodjes over de toonbank zouden gaan''. Ook lichtte hij Einstein in over de mores. Zo schreef hij dat een bord of een diaprojector in het Academiegebouw niet voorhanden waren, dat ``zelfs spreken met je handen onmogelijk was omdat die schuilgingen onder een toga!'' Ook wees hij Einstein op de Nederlandse gewoonte tot besluit van het college dankwoorden te richten aan specifieke groepen en individuen. Maar eerst moest Einstein een glas water drinken, opdat de oudere heren in de zaal wakker konden schrikken. Tot besluit van zijn aanwijzingen gaf Ehrenfest de juiste uitspraak van de slotzin `Ik heb gezegd'.

Sindsdien kwam Einstein regelmatig voor een korte periode naar Leiden, de laatste keer was in 1930. Bij een van de eerste gelegenheden, in 1921, schonk hij Ehrenfest zijn vulpen. Die was er zeer mee verguld en schreef op een briefje: `Deze vulpen heeft Einstein jarenlang gebruikt en in ieder geval de periode van 1912 tot 1921 — zodat al zijn ontwerpen en berekeningen betreffende de algemene relativiteitstheorie en de zwaartekracht in dit tijdvak met deze pen geschreven zijn. Hij schonk mij deze in 1921. P. Ehrenfest.'

Vijf jaar later kwam Hendrik Casimir in Leiden aan, om na zijn kandidaats in 1928 Ehrenfests leerling te worden — de herinneringen legde hij vast in Het toeval van de werkelijkheid. In dat boek roemt hij Ehrenfests colleges. Daarin lag de nadruk op de saillante punten, en niet zozeer op de continuïteit van de bewijsvoering: ``De belangrijkste formules verschenen op het bord bijna als afzonderlijke esthetische scheppingen.'' Voor numerieke factoren was weinig aandacht. Casimir: ```4' kon bijna alles betekenen. Zijn taal was levendig, vol van verrassende beeldspraak, tenminste wanneer hij Nederlands sprak – en nog meer wanneer hij Engels sprak – maar ook zijn Duits was vaak gekruid met Weense uitdrukkingen. Je had weinig neiging in slaap te vallen bij een college van Ehrenfest, maar als hij ooit ontdekte dat je neigingen in die richting had werd je onmiddellijk meedogenloos tot de orde geroepen.''

Spreekwoordelijk onder studenten waren sommige van Ehrenfests uitdrukkingen. Das ist der springende Punkt (dat is het essentiële, beslissende punt) werd bij hem: Das ist wo der Frosch ins Wasser springt. Een andere favoriet was Das ist der Patentanspruch. Casimir oppert dat Ehrenfest wellicht met Einstein, die aan het begin van zijn carrière bij een octrooibureau in Bern had gewerkt, over octrooien heeft gesproken. Jammer vindt hij het dat er in die tijd nog geen videocamera voorhanden was om wat colleges met een breed gesticulerende Ehrenfest op te nemen.

Op 25 september 1933 pleegde Ehrenfest zelfmoord, na eerst zijn geestelijk gehandicapte zoon door het hoofd te hebben geschoten. Met Pasen had hij Casimir, die in Zürich bij Pauli werkte, teruggeroepen: `Ach, Caasje, setze deine breiten Schultern unter den Karren der Leidener Physik'. Zo wilde hij verzekeren dat er de tijd dat er in Leiden een opvolger moest worden gezocht op het instituut tenminste een assistent aanwezig was om de lopende zaken te behartigen.

Eerder had Ehrenfest zich al tegenover Casimir laten ontvallen dat hij alle vertrouwen in zijn eigen kunnen had verloren, dat hij vreesde niet meer in staat te zijn de nieuwe natuurkunde te volgen, dat het leven ondraaglijk werd en dat hij overwoog er een eind aan te maken. De opkomst van Hitler heeft hem in dat voornemen gesterkt. Albert Einstein zei het als volgt: ``Ehrenfests tragedie lag juist in een bijna ziekelijk gebrek aan zelfvertrouwen. Hij leed voortdurend onder het feit dat zijn kritische talenten zijn constructieve vermogens te boven gingen. Bij wijze van spreken, zijn kritische zin beroofde hem van de liefde voor de kinderen van zijn eigen geest nog voor ze geboren waren.''

Dit is deel 6 van een maandelijkse serie over voorwerpen uit het depot van Museum Boerhaave. Het voorwerp staat voor de gelegenheid in het museum opgesteld. Adres: Lange St. Agnietenstraat 10, Leiden. Geopend di t/m za 10-17u, zo 12-17u.