Eeuw van de schreeuw

De eerste moderne schreeuw is die van Edvard Munch, de Noorse schilder. Het is een schreeuw van wanhoop, geslaakt door een vrouw. Ze staat op een brug, ze houdt haar handen tegen haar gezicht gedrukt, in de verte bevinden zich twee zwarte gestalten. Het schilderij is gemaakt in 1893. Jaren gingen voorbij, de Schreeuw werd beroemd als een klassiek werk van het expressionisme.

Wat er toen is gebeurd valt niet in een paar zinnen te beschrijven, maar plotseling ging de commercie er brood in zien. In de achtste straat west, tussen de vijfde en de zesde avenue in Manhattan is zo'n winkel die we in Nederland nog steeds een feestwinkel noemen. Mombakkesen, snorren en baarden, petjes met gewaagde opschriften, en ook, wat deze van onze winkels onderscheidt, beeldjes van aliens, twee- en meerhoofdige embryo's, opgegraven monsters en wat je verder in de spooktent op de kermis tegenkomt. Misschien zou je het tegenwoordig eerder een pretwinkel noemen. Daar ontdekte ik alweer een paar jaar geleden de Schreeuw van Munch, gekopieerd op een opblaaspop. Ik heb er toen een stukje over geschreven. Veel brieven gekregen. Daaruit bleek al dat de Schreeuw leeft. Ik ging er beter op letten, zag T-shirts, ansichten met Munchs meesterwerk van komisch onderschrift voorzien, zelfs een Schreeuw met een snor, variatie op Duchamps Mona Lisa.

Intussen is het einde van de eeuw onder handbereik. Vooruitziende mensen zijn bezig het volgende jaar vol te plannen. Een vereniging nodigt je uit voor haar congres op woensdag 5 januari 2000. Je grijpt naar je agenda. Daarin staat de hele maand die zo onmetelijk ver weg leek. Je klopt het af op ongeverfd hout, noteert: 14.00, Scheveningen, en je denkt: wat een durf! Maar aan de andere kant: als je jezelf en de anderen niet het eeuwige leven toeschrijft, kun je je voor de volgende eeuw wel afschrijven.

Toen, de eeuw inventariserend, was het me opgevallen dat ook de gebaren een ontwikkeling hebben doorgemaakt. Een stukjesschrijver mag zichzelf nooit citeren – dat moeten de anderen doen – maar deze keer is het functioneel. In 1933 staken de mensen die het duizendjarig rijk wilden stichten, hun rechterarm schuin omhoog. In 1945 degenen die er een stokje voor hadden gestoken, de wijs- en middelvinger van hun rechterhand. Daarna deed je het met je duim als je wilde zeggen dat het je goed ging. En de laatste jaren, als je wilt laten weten hoe je over iemand, of desnoods de hele mensheid denkt, steek je je middelvinger op. Dat, dacht ik toen, is de laatste groet van de eeuw.

De Schreeuw bleef me bezighouden. Ik zag Mick Jagger schreeuwen, Ronald de Boer, een held van de tennisbaan, een `hooligan' in een voetbalrel. Kranten en tijdschriften staan vol schreeuwen. Ik begon ze uit te knippen. De sportpagina's hebben mooie exemplaren waarop je het keelgat en de toestand van het gebit kunt zien. Popartiesten en toneelspelers kunnen er ook iets van. En toen zag ik in het vakblad De Journalist een verzameling mooiste foto's van de halve eeuw. Eén daarvan toont Fanny Blankers-Koen in 1950, op het ogenblik dat ze kampioen is geworden. Aan haar schreeuw zie je dat ze een voorloopster is.

Ik heb inmiddels een collectie van een stuk of dertig schreeuwen. Zoals het met verzamelaars gaat: ze worden kieskeurig. Mindere worden terzijde geschoven, de beste blijven over. Als ik deze dertig mooi rangschik, er het ontwerp van een collage van maak, weet ik niet wat ik zie. De mens. In zijn zojuist herdrukte boek over Eichmann, De zaak 40-61, citeert Harry Mulisch de Duitse schrijver Arnolt Bronnen (1895-1959). Van links avantgardist is hij extreem-rechts geworden, propagandaconsulent van Göbbels, en daarna communist. Uit dit citaat blijkt dat Bronnen het goed had begrepen: Viel schreien ist besser als sehr klug sein.

Nog juist bijtijds, nog voor het einde van de eeuw, naderen we tot het volmaakte. De Serviërs trekken terug uit Kosovo. De foto toont een soldaat. Hij zit op een tank, hij steekt de middelvinger van zijn rechterhand op en hij schreeuwt tegen de fotograaf. Deze soldaat is de eerste die ik in deze dubbel-act zie. Als hij geen voorgangers heeft, krijgt hij in ieder geval navolgers.