De illusie van openbaarheid

Het heeft in het verleden enige tijd geduurd voordat acteurs de overstap konden maken van toneel naar film. Ik weet niet hoe het in andere landen was, maar in Nederland is er een aanzienlijke periode geweest dat het acteren in een film niet was om aan te zien en te horen. De breed uitgemeten gebaren, de nadrukkelijke mimiek en de declamerende dictie, allemaal functioneel om tekst en strekking tot op de achterste rijen over het voetlicht te krijgen, deden in een film ongeloofwaardig aan. De camera is onbarmhartig intiem en registreert tot in de kleinste nuances. Op het scherm valt onechtheid vervolgens genadeloos door de mand.

Het noodzakelijke herscholingsproces is waarschijnlijk versneld door de televisie, die op grote schaal de vraag naar ingehouden toneelspel deed toenemen. Jonge acteurs die er talent voor hebben worden er in opgeleid en de groten switchen moeiteloos van het ene naar het andere medium. Zie Annet Nieuwenhuizen, zie Gijs Scholten van Asschat.

Maar niet alleen het toneelwezen heeft met deze omslag te maken gehad. Iedereen die vanuit een of andere professie publiek moet toespreken heeft kunnen constateren dat praten tegen een zaal iets anders is dan tegen een camera. Media adviseurs verdienen een aardig centje aan bijscholingscursussen in presentatie.

Ook politici ontkomen er niet aan. Men leert zich soepeler te bewegen, of rechter in de camera te kijken, of meer uit het hoofd en minder van een papiertje te lezen, of zich eleganter te kleden of de lichaamstaal in overeenstemming te brengen met hetgeen men zegt. En de toch altijd wat nurkse premier kan nu op gepaste momenten glimlachen. Het komt allemaal ten goede aan een positieve indruk die de burgers kijkend naar hun televisieoptredens krijgen.

Deze verbeteringen betreffen tot op heden echter slechts individuele presentaties van politici. Gezamenlijke optredens, zoals Kamerdebatten verlopen nog net als vroeger, alsof er inmiddels geen registratie en rechtstreekse uitzending voor het publiek van worden gemaakt.

De indruk die een dergelijke televisievoorstelling achterlaat kan extra negatief uitvallen, doordat de kijker weet en voelt dat hij buitengesloten is vanwaar de echte beslissingen vallen, in voor pers en publiek verboden bijeenkomsten in ministerraad en fractiekamers, op departementen en in het torentje. Tussen het ene en andere publieke televisieoptreden van de Kamer gebeuren dingen waar de kijker geen weet van heeft en die bepaalde veranderingen in meningen en opstellingen onbegrijpelijk maken. Men moet raden wat er zo ongeveer gebeurd kan zijn.

In een tijd dat men daarover alleen krantenverslagen las, was dat waarschijnlijk minder storend. Men wist niet beter dan dat slechts indirect een kijkje in de politieke keuken mogelijk was. Nu men met de neus bovenop de beraadslagingen zit, alsof men deelgenoot mag zijn, wordt een illusie van openbaarheid gewekt, die iedere keer door ontnuchtering wordt gevolgd: achter de schermen heeft zich iets anders afgespeeld en wat men mag zien en horen is slechts een schijnvertoning. Hier ligt volgens mij een van de oorzaken van het toenemend aantal burgers met een afkeer van politiek.

Hoe het anders moet, weet ik ook niet een, twee, drie. Geheim overleg zal altijd nodig blijven. Maar men zou kunnen beginnen in het openbare debat openlijker te zijn over partijpolitieke overwegingen. Die zijn op zichzelf niet verwerpelijk.

Het was van D66 natuurlijk raar in een periode dat Nederland moest helpen Servische doelen te bombarderen met doden en gewonden als gevolg een kabinetscrisis te veroorzaken over een referendum. Ongeveer zoals de vrijgemaakte scheuring in de gereformeerde kerk in 1944. Men had en heeft waarlijk wel iets anders aan het hoofd. Het had op het publiek waarschijnlijk meer indruk gemaakt als de fractievoorzitter had gezegd: het referendum is ons een lief ding, maar we laten dat nu maar even rusten tot de oorlog voorbij is. Dat zou een teken van de redelijkheid zijn geweest waaraan de partij indertijd haar bestaansrecht meende te kunnen ontlenen. Ieder weldenkend mens in Nederland zou dat gewaardeerd hebben. Maar achter nagestreefde redelijkheid gaat ook bij D66 partijbelang schuil en dat wordt vervolgens in het openbare debat verzwegen of ontkend. Waarom eigenlijk? Ferry Mingelen accepteert dat wel met een begrijpend lachje – ons kent ons – maar de burgers die opgeblazen en tegelijkertijd schimmige discussies te zien krijgen, niet. Hetzelfde geldt voor de Bijlmer- en dioxinedebatten.

Ja hoor es, zeggen degenen die ik dit voorleg, dat is nu eenmaal de gang van zaken binnen ons politieke stelsel. Openbaarheid en eerlijkheid keren zich tegen je. Vandaar dat Kamerleden, tegen de regels van de parlementaire democratie in, tussendoor in het geheim overleg worden beladen met last en ruggenspraak. Zodat zich wonderlijke veranderingen voltrekken tussen uitspraken in eerste en tweede termijn.

In het zicht van de camera is het daarom misschien toch nodig de overstap te maken naar een natuurlijker, eerlijker en redelijker omgang met elkaar, om het de kijkers wat makkelijker te maken mee te denken en hen weer voor politiek te interesseren. Anders kan men die rechtstreekse uitzendingen maar beter staken. Illusies zijn voor theater en film.