De Arabische polsslag

Met de oprichting van het onverschrokken tv-kanaal Al-Jazeera wil het Golfstaatje Qatar bewijzen dat een vrije pers goed is voor de regering. Arabische leiders volgen met argusogen de opmerkelijk vrije discussies.

Wij zijn vóór niemand en tegen niemand.'

Zeg broeder, laat me nou eens uitspreken!'' De Egyptische journalist is bezig te betogen dat mannen als Abdullah Öcalan, Osama Bin Laden en Carlos geen vrijheidsstrijders zijn, maar terroristen. Hij wil gaan uitleggen dat er een relatie is tussen het positieve imago van deze mannen in de Arabische wereld en het feit dat de regio zo achtergesteld is, als hij alwéér in de rede wordt gevallen door de andere talkshowgast van vanavond, een Marokkaan die het in niets met hem eens is. De mannen schreeuwen steeds harder en zetten hun argumenten steeds sterker aan, in de hoop de kijkers van hun gelijk te overtuigen. Soms hangen ze half over tafel, de verhitte hoofden vlak bij elkaar. De Syrische presentator Faisal Qassem, een brede man die zijn laatste haren plat over de schedel heeft gekamd, zit stoïcijns tussen hen in. Hij grijpt alleen in als er niets meer van te verstaan is, of als het tijd is voor een telefonische reactie van een kijker.

Qassems programma, `Tegengestelde Richtingen', dat elke dinsdagavond van negen tot half elf wordt uitgezonden, is de populairste talkshow in de Arabische wereld. In Palestijnse, Marokkaanse of Iraakse kantoren en koffiehuizen praat men op woensdag over weinig anders dan `het debat' van gisteravond. Op welk kanaal, dat hoeft niemand er meer bij te zeggen: het is Al-Jazeera, het satellietkanaal uit Qatar dat er in tweeëneenhalf jaar tijd in is geslaagd om zo'n 125 miljoen kijkers te trekken. Al-Jazeera, dat 24 uur per dag nieuws en achtergronden in het Arabisch uitzendt, is geliefd bij de Arabische massa en wordt gehaat door de Arabische regeringen, omdat mensen er voor het eerst in de geschiedenis van de Arabische massamedia mogen zeggen wat ze willen. Als Al-Jazeera één paradepaard heeft, is het `Tegengestelde Richtingen' (Al-Ittijah Al-Moakis in het Arabisch). De Syriër kiest onderwerpen die het publiek bezighouden maar die op nationale tv-stations of Arabische satellietkanalen als ANN en MBC niet of nauwelijks aan bod komen omdat die in handen zijn van overheden die politieke controverse willen vermijden: mensenrechten in het Midden-Oosten, relaties met Israel of de vele manieren waarop sjeiks de Koran interpreteren. Faisal Qassem nodigt altijd twee gasten uit – die meestal naar de studio in Qatar worden gevlogen – van wie hij weet dat ze het niet met elkaar eens zijn. Kijkers mogen bellen. Vanavond, in de uitzending over de vraag `Is de tijd voor revolutionairen voorbij?', bellen er een Arabischsprekende man in Denemarken, iemand uit Syrië en de Franse advocate van Carlos, die in Parijs in de gevangenis zit. Net als de meeste programma's van Al-Jazeera wordt dit live uitgezonden – nog een novum op Arabisch mediagebied. Kans om iets uit de opnames te knippen, is er niet.

Bij Al-Jazeera, dat in een klein gebouw met blauw dak in de Qatarese hoofdstad Doha gevestigd is, zeggen ze graag dat ze `onafhankelijk' zijn. ,,Wij zijn vóór niemand, tegen niemand en werken voor niemand'', zegt directeur Mohammed Jasim Al-Ali, een gewiekste Qatarese journalist in lange witte dishdasha. Jasim loopt over de redactie zonder zich te bemoeien met de nieuwsgaring of presentatoren in te fluisteren welke vragen ze moeten vermijden – iets wat in de regio ongebruikelijk is. Oppositieleiders van Marokko tot Iran, die in eigen land door de media worden gemarginaliseerd of doodgezwegen, komen bij Al-Jazeera aan het woord. Vaak worden zij uitgenodigd om met hun eigen ministers van gedachten te wisselen. Dat levert de debatten op waar het volk al jaren op zit te wachten maar waar de regeringen – om die reden – huiverig voor blijven. In het programma `Tussen de Regels' wordt getoond wat buitenlandse (soms ook Nederlandse) kranten over een onderwerp te melden hebben. Dat kan variëren van commentaren over de NAVO-bombardementen op Belgrado tot onthullingen over Palestijnse corruptie of prostitutie in Egypte. ,,Alles wat interessant is voor Arabisch publiek'', zegt redactrice Hala, op de vraag hoe ze die knipsels kiest. ,,Nee, ik ga nooit naar de hoofdredactie om te vragen of iets `kan' of niet.''

Klachten

Behalve Libanon is er geen Arabisch land dat er niet bij de regering van Qatar op heeft aangedrongen om Al-Jazeera te sluiten. Toen een Irakees een tv-debat met een Koeweiti `won', diende Koeweit een klacht in bij Qatar. Jordanië was door een programma over Palestijnse vluchtelingen in dat land zo in zijn eer aangetast dat het eind 1998 de accreditatie van zes Al-Jazeera-journalisten introk en excuses eiste. Die excuses kreeg het niet – enkel de verzekering dat het kanaal geen ressentiment tegen de regering in Amman koestert. Na vier maanden mocht het kantoor weer open: koning Hussein werd begraven, en het best bekeken Arabische nieuwskanaal niet toelaten om de stoet wereldleiders die dagen te filmen zou, dat zagen de autoriteiten ook wel in, een enorme misser zijn.

Als Saddam Hussein een breed publiek wil bereiken, stuurt hij bandjes met toespraken naar Al-Jazeera en niet, zoals vroeger, naar CNN of de BBC. Vlak voor de verkiezingen in Israel belde premier Netanyahu Al-Jazeera om te vragen om een interview (Al-Jazeera is het enige Arabische kanaal dat correspondenten in Israel heeft). Het verzoek werd afgewezen: eerder had Netanyahu verstek laten gaan in een debat met andere premierskandidaten, en men wilde hem geen speciale behandeling geven. De Palestijnse Autoriteit liet een prominente vredesonderhandelaar debatteren met een Hamasleider – iets wat ze normaliter weigert. Maanden later praten de Palestijnen (van wie 46 procent van de schotelbezitters in een peiling Al-Jazeera als `betrouwbaarste nieuwszender' noemde) nog over de verbale dreunen die de Hamasman uitdeelde. De teneur is duidelijk: nu satellietschotels goedkoper worden en steeds meer mensen naar Al-Jazeera kunnen kijken (desnoods bij de buren), kunnen de leiders niet meer om het kanaal heen.

Maar de kracht van Al-Jazeera, de journalistieke openheid en de massa's Arabieren die ernaar kijken (zelfs degenen die het ,,te luidruchtig'' of ,,te negatief'' vinden), is tevens haar zwakte. Want het kanaal is, weet iedereen, in handen van de regering van Qatar – preciezer, minister van Buitenlandse Zaken Sjeikh Hamad ibn Jassem ibn Jabr al-Thani. Met één pennestreek kan hij het sluiten, en dat is iets waar veel Arabische leiders hem nu toe pogen te brengen. Ironischerwijs werd het kanaal niet opgezet om te bewijzen dat goede Arabische journalistiek wel degelijk bestaat, maar om de buitenlandse politiek van Qatar te dienen. `Al-Jazeera' betekent schiereiland, zoals Qatar vaak wordt aangeduid. Buurlanden hebben dit Golfstaatje waar 600.000 mensen wonen, van wie driekwart buitenlanders, altijd als lelijk eendje behandeld. In grensdisputen legde het 't steevast af (Saoedi-Arabië annexeerde land, met Bahrein is er ook ruzie), en in de Gulf Cooperation Council (GCC) werd zijn stem nauwelijks gehoord. ,,Qatar'', zegt een journalist bij Al-Jazeera, ,,is daarom dwars. Het wil serieus genomen worden. Het heeft als enige Golfstaat goede relaties met Iran, met name om de buren boos te maken. Er zat hier zelfs een Israelisch handelskantoor. Ook met bondgenoot Amerika haalt het streken uit: soms staan hier ineens gevechtsvliegtuigen waar Washington niets van weet. Al-Jazeera ontsproot aan het brein van de emir zelf. Hij wilde iets hebben waar de buren bang voor zouden zijn. Als wapen: `Als jullie over ons heenwalsen, dan riskeren jullie vanaf nu dat de hele wereld ervan hoort!'''

Het gerucht gaat dat alle Arabische ministers van Buitenlandse Zaken hun Qatarese collega laatst een bod deden: financiële schadeloosstelling als hij Al-Jazeera zou sluiten. De minister weigerde. ,,Als ze met sancties gaan dreigen'', zegt de journalist, ,,weet ik niet wat hij doet. Wij zijn in het belang van Qatar, maar Qatar heeft meer belangen.''

Saai, dor en bloedheet

Al-Jazeera ging in november 1996 met enkel een lening van de Qatarese regering van start, geeft directeur Mohammed Jasim toe. ,,Dat moest, want aan een tv-kanaal waarop iedereen zijn mening kan geven, durft geen particuliere investeerder in deze regio zijn vingers te branden. Dat geldt ook voor adverteerders. In Amerika vragen die: `Wat is uw doelgroep?' In de Arabische wereld vragen ze: `Wat is uw politieke achtergrond?' De lening, 500 miljoen rials (250 miljoen gulden), moet in vijf jaar zijn afbetaald. Daarna moeten we op eigen benen staan.'' Het is een publiek geheim dat die lening een gift is. En dat `op eigen benen staan', daar houden de 366 medewerkers van Al-Jazeera hun hart voor vast. Veel bureauchefs, presentatoren en verslaggevers werkten vroeger voor de Arabische dienst van de BBC en zijn zeer te spreken over de journalistieke vrijheid die ze hebben (,,Anders had ik bruisend Londen niet voor saai, dor en bloedheet Qatar ingeruild!'' zegt een hunner). Maar juist door die achtergrond weten ze maar al te goed hoeveel er de Saoedische regering aan gelegen is om de Arabische nieuwsvoorziening onder controle te krijgen. De BBC moest haar Arabische tv-programma's in 1996 staken omdat enige documentaires de Saoedische regering, mede-eigenaar van het kanaal, in het verkeerde keelgat waren geschoten. De belangrijkste Arabische kranten in Londen, zoals Al-Hayat en Al-Quds al-Arabi, en satellietkanalen als MBC zijn in handen van Saoedi-Arabië. Iedereen weet dat Saoedi-Arabië bedrijven betaalt om niet op Al-Jazeera te adverteren. Een grote Saoedische parfumfabrikant, wiens commercials wekelijks in `Tegengestelde Richtingen' te zien zijn, smeekt Al-Jazeera het contract te verbreken omdat zijn regering hem het zakendoen in eigen land bemoeilijkt. Behalve deze parfumflessen, Jaguar, Mastercard, babymelk en een afwasmiddel zijn er nauwelijks advertenties op Al-Jazeera te zien.

Overige inkomsten laten eveneens op zich wachten. Al-Jazeera staat tv-kanalen in Arabische landen toe om gratis programma's over te nemen – wat steeds vaker gebeurt zonder dat ze er in Qatar van weten. ,,Eerst moet je bekendheid krijgen'', zegt Mohammed Jasim laconiek, ,,daarna kun je er geld voor vragen.'' De meeste kanalen nemen de reportages over met de schaar in de hand, zoals de Soedanese staatstelevisie, die onlangs in een documentaire alleen de woorden van de president en wat beelden van boeren intact liet, en lastige vragen (,,Klopt het dat u als president moet doen wat religieus leider Hassan Tourabi u vertelt?'') en criticasters eruit knipte. Of deze kanalen straks voor beelden willen betalen, is de vraag. Arabische kanalen betalen zelden voor het overnemen van andermans beelden. Al-Jazeera begint wel te verdienen aan het doorverkopen van interviews aan Westerse stations, zoals dat met Osama bin Laden laatst. ,,Het enige wat ons onafhankelijk kan maken'', zegt een medewerker, ,,is dat we zo goed worden dat de hele wereld niet meer om ons heen kan, en alles van ons wil kopen.''

Bij veel Arabische tv-kanalen zie je mensen rondhangen, koffie drinken, en van de een naar de ander lopen met een quote waarvan ze niet zeker weten of die politiek `kan' of niet, en die uiteindelijk sneuvelt omdat niemand er de verantwoordelijkheid voor wil nemen. Hier zijn verantwoordelijkheden en taken duidelijk omschreven – met de BBC-redacteuren haalde Al-Jazeera ook de BBC-werkwijze binnen. Er wordt weinig tijd verspild. In de newsroom is iedereen hard aan het werk. Er slingeren weinig Arabische kranten rond. ,,Als we die zouden gebruiken'', spot iemand, ,,zouden we nu maar twintig kijkers hebben.'' De voornaamste bronnen voor Al-Jazeera zijn Westerse persbureaus en tv-kanalen en het uitdijende netwerk eigen correspondenten en verslaggevers. Maar chef Buitenland Salah Negm bestrijdt dat zij Westerse journalistiek bedrijven. ,,Journalistiek kent geen nationaliteit'', vindt de Egyptenaar, die jaren bij de Arabische afdeling van de Wereldomroep in Hilversum werkte. ,,Regels voor goede nieuwsgaring zijn overal ter wereld hetzelfde. Dat die niet overal in acht worden genomen heeft niets met journalistiek te maken, maar met politiek. Ons succes bewijst dat Arabieren dat evenzeer betreuren als wij Westers getrainde journalisten zelf.'' Omdat Al-Jazeera `hoor en wederhoor' serieus neemt, zegt hij, zijn programma's soms zelfs anders. Neem de documentaire over transseksuelen laatst. Net als in Nederland, zegt hij, interview je zoveel mogelijk betrokkenen. Maar voor Arabisch publiek moet je ook een islamitische geleerde aan het woord laten. En vanwege dat ene extra accent, zegt hij, zijn Westerse kanalen steeds meer geïnteresseerd in overname van reportages – zoals de bijdragen van de correspondent in Belgrado, die eerder een Servisch visum kreeg dan veel Westerse collega's.

Westerse diplomaten houden Al-Jazeera scherp in de gaten. De Amerikaanse ambassadeur dient wel eens een klacht in als een talkshowgast uitvalt tegen de sancties tegen Irak. Omdat het NAVO-ingrijpen in Kosovo de Westers-Arabische relaties kan beïnvloeden, vroegen sommige diplomaten achteraf een bandje van een paneldiscussie getiteld `NAVO 50 Jaar', in het programma `Meer Dan Eén Mening'. Per satelliet spraken een Bahreinse dissident in Londen, een Palestijnse professor in Cambridge en een Arabischsprekende Russische politicoloog in Moskou over de oorlog in Kosovo. Een kijker uit Duitsland beschuldigde de NAVO van hypocrisie: ,,Als het Westen bezorgd is over mensenrechten, waarom valt het dan Miloševic aan en niet Netanyahu, en waarom beschermt het vijftien miljoen Koerden dan niet?'' Het panellid in Londen zei: ,,De NAVO moest wel. Als zij het niet had gedaan, hadden wij Arabieren gezegd: zie je wel, de NAVO doet niets. Wat mij zorgen baart, is dat de NAVO de VN-Veiligheidsraad heeft gepasseerd.'' Waarop een Saoediër opbelde en riep: ,,Schei nou toch eens uit over de misdaden van de NAVO! Vergeet niet dat de NAVO Koeweit heeft bevrijd! Jullie intellectuelen zijn allemaal partijdig!''

Sponsoring

Velen bij Al-Jazeera zijn het er over eens dat ze hier vrijer zijn in het weergeven van die `Arabische polsslag' dan ze bij de BBC waren. Bij de BBC werd hun, vanwege de Saoedische sponsoring, steeds duidelijk gemaakt dat ze voorzichtig moesten zijn, om de Saoediërs en hun vrienden niet tegen de haren in te strijken. Dat de Saoedische verslaggeving bij Al-Jazeera eveneens mager is, ligt eerder aan het feit dat de correspondent in Riad veel onderwerpen niet mag aanroeren – net zoals Westerse correspondenten in Riad of Damascus vanwege de censuur op hun tellen moeten passen. Toen de zuster van een prominente Saoedische dissident werd gearresteerd, mocht de correspondent er van de Saoedische autoriteiten geen verhaal over maken. In Qatar loste men dat op door er, met behulp van persberichten, een nieuwsbericht van te maken. Een Syrische functionaris, die hoorde dat er een tweede studioruimte wordt gebouwd omdat Al-Jazeera wegens haar explosieve groei met één studio niet meer toekan, zei: ,,Een tweede studio! Met ééntje bezorgen ze ons al genoeg hoofdpijn.''

Of Al-Jazeera de Arabische mediawereld wakker kan schudden? Ahmed Sheikh, de Palestijnse chef van de nieuwsdienst, ook een ex-BBC'er, heeft er een hard hoofd in. Hij werkte ooit bij de televisie in Koeweit. In 1969, zegt hij, toen Armstrong op de maan landde, was dat het zevende onderwerp op het avondnieuws. Onderwerpen één tot en met zes gingen over de emir. Om niet nog meer kijkers aan Al-Jazeera te verliezen worden veel Arabische kanalen nu wat `gelikter': ze doen nu soms live-uitzendingen en gebruiken meer grafieken. Maar door de bank genomen draait alles nog steeds om lokaal nieuws, ter meerdere glorie van de leider. Yasser Arafat die een weeshuis opent. Hafez al-Assad die een vakbondsdelegatie uit China ontvangt. ,,De leiders zijn als de dood voor de vrije pers'', zucht Sheikh. ,,Pas als de politiek verandert, kunnen de media veranderen.''

Maar een soortgelijk verwijt krijgt Al-Jazeera zelf ook: zij zou Qatar te vriendelijk behandelen. Waarom, vragen sommige kijkers zich af, krijgt Palestina meer aandacht dan Qatar? Een journalist pareert: ,,Yasser Arafat reist de hele wereld af om steun te krijgen voor de Palestijnse onafhankelijkheid: nieuws. Onze emir bezoekt tien landen in Zuidoost-Azië: who cares?'' Maar tijdens de MENA-handelsconferentie in Doha, in 1997, zette Al-Jazeera de minister van Buitenlandse Zaken, de eigenaar dus, tegenover een andere Qatarees die hem scherp aanviel omdat Israel aan de conferentie deelnam, waardoor sommige Arabische delegaties waren weggebleven. De minister was de studio in gelopen met de woorden: ,,Ik wil geen voorkeursbehandeling. Pak mij maar hard aan.'' Ook werd hij eens aan de tand gevoeld over het persoonlijke fortuin dat hij vergaard zou hebben door buitenlandse bedrijven geld te vragen voor een vestigingsvergunning. Hij kreeg zelfs een keer de vraag: ,,Is het waar dat u homoseksueel bent?'' Maar tijdens de bombardementen op Irak, in december, verscheen een bijdrage van de Washington-correspondent maar één keer op het nieuws – terwijl velen de bijdrage, over het Amerikaanse militaire arsenaal, goed en nieuwswaardig vonden. Wat bleek? Er was melding gemaakt van een versterking van de Amerikaanse basis in Doha, terwijl de Qatarese minister van Buitenlandse Zaken eerder had verklaard dat daar geen sprake van was. Een chef had het beter gevonden om de bijdrage niet te herhalen, al had hij geen reactie gekregen van het ministerie. ,,Dat er een `rode lijn' is'', zegt een journalist, ,,daar merk je hier nooit iets van. Dit was zelfcensuur, en het had niet mogen gebeuren. Wij zagen die basis, hier vlakbij, nota bene zelf uitdijen!''

Niettemin heeft Qatar de Arabische mediapolitiek volledig op haar kop weten te zetten. Zij bewijst wat miljoenen Arabieren hun leiders al jaren tevergeefs aan het verstand proberen te brengen: dat een vrije pers wel degelijk goed kan zijn voor de regering. En daar was het de Qatarezen precies om begonnen.