Cultuur per belbus

Over de Nederlandse kunst kan vanuit sociologisch oogpunt weinig meer gezegd worden dan dat het een leuke hobby is voor hoogopgeleide vijftigplussers. Het is een hobby die men in gezelschap kan beoefenen, maar ook heel goed alleen. In de eerste variant, de sociale, bezoekt men het theater om daar samen met gelijkgestemden te genieten van dans-, toneel- en muziekuitvoeringen. In de pauze en na afloop kan men lekker bijkletsen en wat men zojuist gezien heeft van commentaar voorzien.

In het andere geval, de solitaire variant, trekt men een dichtbundel uit de kast en brengt men een ontspannend uurtje door in de leunstoel om de fraai geformuleerde inzichten en gevoelens van de dichter op zich in te laten werken. Ook kan men een videoband starten met kunstfilm of een opera naar keuze.

Kunst kan als hobby dus heel divers beoefend worden, al naar gelang de behoeften en mogelijkheden van de beoefenaar. Dat geldt ook voor de intensiteit waarmee de hobbyist aan de slag gaat. Er zijn, zoals bij elke vorm van vrijetijdsbesteding, de echte fanatici die de hele dag niets anders doen. Vaak zijn dat ook de specialisten die van een bepaalde kunstvorm alles, maar dan ook alles willen weten en hun hobby daarmee een harde ondergrond geven. Maar er zijn ook de minder serieuze beoefenaren, die zo nu en dan voor de gezelligheid eens aanschuiven en een luchtiger relatie met de Muze aangaan.

Het leuke van de kunsthobby is dat het voor iedereen, ongeacht het niveau waarop men bezig is, een uitdagende activiteit is waarvoor niet alleen fantasie en creativiteit, maar ook kennis en intelligentie nodig zijn. Dat laatste maakt deze vorm van vrijetijdsbesteding zo populair bij mensen met een academische opleiding. En zeker als ze in de Randstad wonen. De meeste theaters en musea bevinden zich immers bij hen in de buurt. Dat scheelt aanmerkelijk in de reiskosten, waardoor de nogal prijzige activiteit (abonnementen, entreekosten, uitgaanskleding, catalogi, e.d.) binnen het vrijetijdsbudget blijft.

Aan het solitaire kunstgenot hangt een gunstiger prijskaartje. Het lezen van literatuur bijvoorbeeld is met behulp van de plaatselijke bibliotheek vrijwel kosteloos en is daarom een logische optie voor provinciale hobbyisten. Uit de cijfers blijkt dat ook. Vooral provinciale vrouwen van boven de vijftig kiezen voor deze invulling van hun vrije tijd. Als het er op aan komt hebben zij minder te besteden en stappen ze minder makkelijk in de auto.

Woonplaats en opleiding spelen dus een grote rol als het om kunst gaat. Maar waarom ook leeftijd? Waarom kiest men zo laat pas voor deze hobby? De capaciteiten daarvoor, creativiteit, fantasie, intelligentie en kennis, kunnen hoogopgeleide dertigers en twintigers net zo goed bezitten. Daar ligt het niet aan. En het is ook niet waarschijnlijk dat de inhoud van de hobby te oubollig en te saai zou zijn. Op elk terrein in de kunst wemelt het van de experimenten. Dagelijks worden grenzen doorbroken of op zijn minst ter discussie gesteld. Wie geestelijk wil bungy-jumpen bijvoorbeeld, hoeft maar een gesubsidieerde toneelvoorstelling te bezoeken om aan zijn trekken te komen. En toch blijven de jongeren thuis.

De reden daarvoor is meer van algemeen maatschappelijke aard, en treft niet alleen de kunst. Alle hobby's in Nederland vergrijzen in rap tempo. Pottenbakken, duivenmelken, politiek, antroposofie, siervissen, bijbelstudie, bridge – al deze vertrouwde vormen van vrijetijdsbesteding treft men straks alleen nog aan in het activiteitenpakket van het verzorgingstehuis. En de oorzaak is even banaal als simpel: geen tijd. Beneden de vijftig heeft vrijwel niemand meer een gaatje in zijn agenda voor een extra bezigheid. Iedereen zit tot aan zijn nek in de afspraken. Werk, privé, nacht, dag, weekend, werkweek, kostwinner, verzorger – voor de moderne burger loopt alles door elkaar. En verstrikt in die kluwen van verplichtingen blijft geen moment meer over om zich eens grondig te vervelen. Voor een serieuze hobby is dat laatste altijd een noodzakelijke voorwaarde geweest.

Dit grote gebrek aan verveling is de reden waarom politieke partijen zo klagen over het uitblijven van jonge aanwas, waarom elke week weer een fanfarevereniging wordt opgeheven, en waarom de Nederlandse postduif wegkwijnt in zijn til.

De kunst zal dezelfde weg gaan.

Staatssecretaris Van der Ploeg wil dat voorkomen. Als eerstverantwoordelijke voor de cultuur in ons land, dat zijn alle hobby's bij elkaar, vreest hij dat hij straks met al zijn plannen, voorzieningen en fondsen mooi voor joker zit. Vooral wat de podiumkunst betreft, zijn eigen favoriete hobby, is hij bang dat hij met een kleine groep stokoude liefhebbers overblijft. Die moet hij dan met een belbus langs de theaters in de Randstad vervoeren om zo aan de gesubsidieerde toneelexperimenten nog enige legitimiteit te geven.

Geen wonder dat hij deze week daarom een `actieprogramma cultuurbereik` lanceerde dat de kunsthobby nieuw leven moet inblazen. Alle middelbare scholieren krijgen binnenkort gratis toegangsbewijzen, de laagopgeleiden krijgen meer tekst en uitleg, de allochtonen krijgen een plaatsje in het verenigingsbestuur, en de kunstenaars zelf krijgen een CD-rom met daarop een format, waarmee ze hun subsidieaanvragen geheel automatisch naar OC en W kunnen mailen.

Sympathieke maatregelen, maar zullen ze helpen? Goedbeschouwd levert alleen de CD-rom een tijdbesparing op. Zo komt voor de spelers meer ruimte vrij om de theaterproductie goed in te studeren. De andere maatregelen kosten alleen maar tijd. Vrije tijd van een publiek dat geen minuut meer overheeft. Laat staan voor een nieuwe hobby, ook al betaalt de staatssecreatris de eerste lessen.

Hoe jammer ook, als de cultuur in de toekomst nog bereikt wordt, zal dat toch met de belbus zijn.