Vrouwen storen bij de drugsconsumptie

Einar Schleef is een enfant terrible met een missie. Zijn acteurs schreeuwen, zijn publiek vlucht. Met zijn theatervoorstelling Salome komt hij naar het Holland Festival.

Er zijn maar weinig regisseurs die zoveel weerstand oproepen als Einar Schleef. Onrustig gemurmel, verontwaardigd gekrijs en luidruchtig opstappen: dat alles behoort tot de gangbare reacties op de voorstellingen van Schleef en het is niet moeilijk om dat ongenoegen te begrijpen. Het theater van Einar Schleef is kil en kunstmatig, monotoon en monomaan en goeddeels onverstaanbaar. Want ook de spelers krijsen. Massaal en gedisciplineerd. Ze krijsen Hass macht Spass (haat is leuk) of Krieg Krieg Jubel Freude Frohlocken (oorlog oorlog jubel vreugde triomf) en dat het liefst honderd keer, zodat je je in een tuchthuis waant waaruit je alleen met geweld kunt ontsnappen. Met zijn schreeuwkoren en verschrikkelijke gescandeer straft Schleef degenen die zo vriendelijk zijn om naar zijn werk te komen kijken. De enige beloning ligt misschien in het verzet. Tegen de afgerichte meutes op de bühne, tegen iedere vorm van groepsdwang en dril.

De zwaarst gedrilde troepen liet Schleef, verleden jaar, opmarcheren in zijn mammoetproduktie Ein Sportstück. Hier geen soldatenuniformen, zoals in Wessies in Weimar, maar kekke gympakjes. De regisseur, die met een fluitje bevelen gaf, en Elfriede Jelinek, de schrijfster, leken elkaar te hebben gevonden in de stelling dat sport oorlog is en oorlog sport. Atletisch presteren en moorden: in Ein Sportstück gebeurt het in dienst van de staat. De staat eigent zich de lichamen toe van zowel de sporters als de moordende militairen en schakelt hun zielen gelijk. Met die van hun teamgenoten, zonder wie zij niets zouden zijn.

Deze levende doden of dode levenden uiten zich behalve in slogans in strakke bewegingspatronen die doen denken aan demonstraties van de Hitlerjeugd. Of van de Junge Pioniere in de DDR. In de DDR groeide Einar Schleef op. Hij werd geboren op de valreep van het Derde Rijk, in 1944. In 1976, toen zijn vriendin in de bak werd gegooid en hij niet meer aan de slag kwam, ontvluchtte Schleef de Deutsche Demokratische Republik. Zijn pessimistische wereldbeeld nam hij mee naar het Westen.

Met een Düsseldorfse produktie, inmiddels twee jaar oud, komt hij naar Nederland. Salome staat in het Holland Festival en heeft voor Schleefs doen bescheiden proporties. Slechts negentien spelers werken eraan mee, er is maar één koor en het geheel duurt hooguit twee uur. Maar de inhoud is zwaar als altijd. Niets is er over van de decadente frivoliteit uit het toneelstuk van Oscar Wilde. Schleef herschreef het grondig en ging terug naar de bijbelse bronnen. Uit de berichten van Mattheüs en Marcus destilleerde hij een verhaal van buigen of barsten. Prinses Salome wil niet buigen voor Herodes Antipas, haar stiefvader, de koning. Ze wil ook niet buigen voor de profeet Johannes. Die is door de koning gevangengenomen en vanuit zijn vastgespijkerde positie vervloekt Johannes de vrouwen, `de zusters van de walging, de zusters van het kwaad'. Johannes kan een vrouw niet liefhebben en Herodes kan een vrouw op de troon niet waarderen en zo verdrijven ze Salome naar de marge. Zij kust een afgehakt hoofd want alleen dood staat Johannes dat geminnekoos toe en het koor van vrome mannen schreeuwt eendrachtig om wraak.

Al te zeer meeleven met Salome, die ten onder gaat, mogen we trouwens niet. Schleef houdt het publiek op een afstand met behulp van optische trucs. Men speelt extreem ver uit elkaar en haast nooit op het podium. Wel op een catwalk die de zaal in tweeën splitst en die uitkomt bij een opening hoog achter de toeschouwershoofden. Door dat verblindend witte gat verschijnt en verdwijnt de koninklijke familie terwijl de gasten, de twaalf vrome mannen, verstopt zijn achter een balkon. Je ziet alleen hun hoeden: soms toont Einar Schleef humor. Zijn nieuwste enscenering schurkt zelfs tegen de meligheid aan. Der Golem in Bayreuth, net als Ein Sportstück gemaakt voor het deftige Burgtheater in Wenen,zit vol baldadigheid.

Bazuingeschal

In Bayreuth is een burgeroorlog uitgebroken; een wethouder, vertolkt door Einar Schleef, komt ons dat persoonlijk vertellen. De Parsifal zal hoe dan ook doorgaan, belooft hij met hoogrode kop. Maar de jeugd dringt het bolwerk van de gevestigde orde reeds binnen. Een jeugd voorzien van heel lange knuppels. Ze slaan om zich heen, de skins die zichzelf Hasskappen noemen, en de bewoners van het Festspielhaus slaan terug met snoeihard bazuingeschal (composities: Lesch Schmidt). Schrijfster Ulla Berkéwicz vermengde haar versie van de Bayreuth-mythe met een mythe uit de semitische voorraadkelder. Wagners christelijk veredelde teutoon Parsifal stuit op de joodse homunculus, de golem. Versmolten zijn die twee in een Verlossersjongen.

Berkéwicz, Schleef en hun haat-liefde-object Richard Wagner willen de destructieve machinemens redden – door de kunst, het ritueel, de magische handeling. Daaraan wijdde Einar Schleef een dik boek. In het vorig jaar verschenen monsteressay Droge Faust Parsifal interpreteert hij de cultuurgeschiedenis als een zichzelf voortdurend vernieuwende gemeenschap van ritueel drugsgebruik. Of het nu om het christelijke avondmaal gaat, om de graalclub of om zuipende kerels in de kroeg: steeds slachtoffert men de vrouw.Niet alleen omdat zij bij de drugsconsumptie stoort maar ook omdat ze als ze eenmaal dood is de band tussen de mannen versterkt. Drie onderwerpen komen in Einar Schleefs oeuvre samen: de aan groepen verslaafde man, de verpletterde vrouw en de oorlog.

Heiligdommen

Ik leg dat allemaal zo uitgebreid uit omdat Schleef het zelf niet doet. Althans, niet mondeling. In interviews beschermt de regisseur, decorontwerper, acteur en schrijver zijn werken als waren het heiligdommen en dat betekent dat hij over de kern ervan zoveel mogelijk zwijgt. Wanneer ik hem in zijn Weense woning bezoek zit hij ietwat slaperig voor zich uit te staren. 's Nachts is hij met de cast van de Golem gaan zwemmen, in een bocht van de Donau, bij maanlicht. Maar tussen het gapen door bewaakt hij zijn zinnen alert.

Herr Schleef, vraag ik hoffelijk, waarom duikt in uw teksten zo vaak het woordje `onmondigheid' op? ,,Omdat'', zo antwoordt hij, ,,ik nog steeds een klootzak ben. Omdat ik mij nog steeds laat gebruiken. Door theaterdirecteuren bijvoorbeeld. Voor hen ben ik niet meer dan een schaakstuk in hun beleid. We zijn allemáál schaakstukken en daarom is het burgerlijke toneel leugenachtig met zijn verheerlijking van het individu.'' In Droge Faust Parsifal schrijft Schleef dat zijn onmondigheid begon met het volwassenworden. Voor hem als DDR-kind markeerde de Jugendweihe dat moment: ,,Op een rij schreden wij tussen de zittende ouders, functionarissen en leraren door. Vervolgens formeerden we ons tot een frontale rij, onder de portretten van Lenin en Marx.'' Einar Schleef ervoer die inwijding in het staatssocialisme als een `ondraaglijke vernedering'.

,,Maar mijn vlucht uit Sangerhausen deprimeerde me ook. Ik had mijn moeder in de steek gelaten.'' Voor haar bouwde hij een monument in het toneelstuk Totentrompeten en in de roman Gertrud. Trude moet een vrouw zijn geweest als hijzelf: `fatalistisch en rebels, verbeten en bedrukt, op slot en smachtend open'.

Zijn vader was een man die zwoegde tot hij erbij neerviel. ,,Thuis heerste die typisch Duitse gehoorzaamheid, die opofferingsgezindheid, dat vanzelfsprekende opgeven van je persoonlijkheid.'' Eerst vluchtte een oudere broer, toen stierf de vader, toen vluchtte Einar Schleef: een Duitse familietragedie. ,,In al mijn ensceneringen vind je een dergelijke tragedie'', zegt hij. ,,Niet het amusement maar de tragedie is het alfa en het omega van het theater. De schildering van onvermogen en ellende.'' Hij kijkt rond in zijn kale kamers: ,,Ik was vijfentwintig jaar samen met die vrouw die in de gevangenis heeft gezeten, maar ik heb een eind aan de relatie gemaakt toen ik ziek werd. Ik wilde die onwaardige toestand niet met haar delen. Leven met een zieke is een hel, had ik bij mijn moeder gezien. Ik ben aan de dood ontkomen door een hele tijd niet te werken. Ik had kanker. Aan beide ogen. Nog steeds heb ik moeite met zien, maar de pijn van een paar jaar geleden is weg.''

Het blijft merkwaardig dat een man die het leed zo goed kent (bij een ongeval liep hij ook een spraakstoornis op) zulk onbarmhartig theater maakt. Schleef moppert geagiteerd: ,,Maar ik veracht mijn personages toch niet! En die intieme scènes dan! Het stoort u wellicht dat ik ze niet op een banale manier presenteer. Ik vind: het dagelijks leven is er voor het banale, theater voor het sacrale.'' Het dagelijks leven ìn het theater maakt hem vooral nerveus. ,,Ik heb niet meer zo'n sterk pantser en word sneller cholerisch. Dat merken de spelers, helaas.'' Hoe kan hij dan in hemelsnaam met hen samenwerken?

,,Ik bouw een maquette voor ze, heel groot. Daarin berekenen ze hun bewegingen: vier passen hierheen, daar draaien, dan de trap op of af. Een menselijke figuur in zo'n maquette is achttien centimeter hoog; de schaal is één op tien. Het karton vind ik op straat: lekker makkelijk om in te snijden en goed na te bouwen door de mannen van de technische afdeling.'' Mannen? ,,Nog wel. Ofschoon ik liever met vrouwen werk. Vrouwen praten anders over das Ding. Over religieuze zaken enzo. Mannen snappen daar meestal niets van, zij zijn zo grofgebreid. Het is een gelukstreffer een mannelijke acteur te vinden die begrijpt wat hij spelen moet.'' Stom genoeg zijn er weinig rollen voor vrouwen. ,,Der Golem is een puur mannenstuk met maar één vrouwenrol. Heel erg dat uitgerekend een vrouw zoiets schrijft. In het theater zijn het per slot van rekening de vrouwen die de richting aangeven. Omdat zij beter spelen. Niet zo gemakzuchtig en routineus. Vroeger zette ik weleens een vrouw in een mannenrol maar daar voelden zij zich total unglücklich bij. Ze wisten dat de rol voor hen was aangepast en dat zat hen niet lekker. Een dieper binnendringen, als vrouw, in zo'n rol werd geblokkeerd of voor minderwaardig gehouden. Je won er helemaal niets bij.''

God

Das Ding, das Ding, das Ding...: ,,Natúúrlijk zoek ik God op de bühne. Iedere regisseur probeert een zingeving te vinden die buiten hemzelf ligt. Dat is de klassieke benadering.'' In Sangerhausen ging de jonge Einar Schleef trouw naar de kerk. ,,De evangelische gemeente liep toen nog aan de leiband van de staat, daar kon niets goeds van komen. Rond 1971 werden in onze kerk de naambordjes van mijn familie verwijderd. En weer wat later ontbraken ineens de altaarschilderingen uit de school van Lucas Cranach. `Die hebben we aan het Westen verkocht', vertelde een kerkvoogd, een vroegere klasgenoot. En ik: `Wat hebben jullie met dat geld gedaan? Er het dak van gerepareerd?' `Nee, het geld is verdwenen, hoe, dat weten wij niet.' Zo ging het toe in de evangelische gemeente.''

Schleef aarzelt bij de vraag of hij in het reinigende effect van theater gelooft. ,,In elk geval kun je over een voorstelling discussiëren. En over die van mij wordt nogal heftig gediscussieerd. Niet altijd op een goede manier. Sommige critici proberen mijn werk kapot te maken door het Nazischeisse te noemen. Als ik een even erg scheldwoord voor jood naar hun hoofd had geslingerd zou er allang een proces tegen mij zijn gevoerd. Maar zij kunnen in de kranten hun gang gaan. Ik heb al meer dan eens ondervonden dat mijn mogelijkheden daardoor sterk werden beperkt. Zo ben ik aan het Berliner Ensemble door Peter Zadek ontslagen.''

Dat was na de affaire rond Wessies in Weimar. Auteur Rolf Hochhuth had hem verweten zijn stuk te hebben vervalst. Maar Schleef zegt dat hij altijd trouw is aan de tekst. Hij volgt de intenties van de schrijver – met de middelen die hem ter beschikking staan. Dat hij auteur en publiek daarmee soms provoceert wil er bij hem niet in. Ook zijn gejongleer met de Schleef/Wilde-tekst Salome vindt hij niet provocerend. Het tien minuten durende bevroren groepsbeeld gevolgd door een twee keer zo lange pauze?

,,Zoiets heet een ouverture, net als in de opera. Richard Wagner laste zelfs pauzes van drie kwartier in: voor zijn tijd ongehoord. In een vijandig gezinde omgeving herzag hij het hele theater. Bij zijn Ring liepen de mensen ook weg. Terwijl vandaag de dag iedereen naar Bayreuth op bedevaart gaat.''

Salome is op 22 en 23 juni, 20u15,te zien in de Stadsschouwburg van Amsterdam. Nagesprek met Einar Schleef op 23 juni, 22u30;

res 020-5307111.

Der Golem in Bayreuth: op 21 en 22 juni in het Akademietheater in Wenen; inl 0043-1-51444-0. Schleefs boeken zijn te koop bij boekhandel Die Weisse Rose in Amsterdam; tel 020-6383959