`Thuis kon ik er nooit een speld tussen krijgen'

Martin Winckler is arts en literair vedette. Zowel in zijn medische praktijk als in zijn boeken laat Winckler zich leiden door het verleden. Gesprek met een man die lijdt aan het leven.

Het duurt een paar hoofdstukken voor je door hebt hoe De ziekte van Sachs in elkaar zit. De `jij' in de honderddertien korte teksten uit het boek is steeds dezelfde: de huisarts Bruno Sachs. Maar de `ik' is steeds een ander: een patiënt, de doktersassistente, de buurvrouw, een collega, een vriend, de geliefde, de slager of nog weer iemand anders die een ontmoeting heeft met dokter Sachs. Door deze originele vorm krijg je, van binnenuit, een herkenbaar, bijna vertrouwd beeld van heel verschillende personages, dorpelingen die Sachs de drama's uit hun leven vertellen, hun pijn, hun verlangens en hun kwaaltjes. Maar ze hebben ook allemaal zo hun eigen visie op die nieuwe, weinig spraakzame, jonge dokter, die wel veel tijd voor hen neemt maar slechts weinig medicijnen voorschrijft. ``Mijn leven voedt mijn schrijven'', zegt Martin Winckler, die zelf twaalf jaar als huisarts op het Franse platteland werkte. In 1992 debuteerde hij met La vacation, een prachtig, in dezelfde, intieme vorm geschreven relaas over een arts die abortussen uitvoert. Vorig jaar werd Winckler, dankzij het enorme succes van De ziekte van Sachs in Frankrijk, binnen enkele maanden een literaire vedette.

Stoort het u als ik zeg dat uw boek in sommige opzichten lijkt op een soap?

``Het boek is opgebouwd als een feuilleton over wat er gebeurt in een artsenpraktijk. Ik heb het in vijf jaar geschreven en om me niet te vervelen heb ik Amerikaanse narratieve technieken toegepast. Als criticus van televisieseries ken ik die door en door. Naar een feuilleton kijken de mensen omdat ze zich erin herkennen. Bij een soap worden gevoelens gemanipuleerd om de kijker afhankelijk te maken, daar houd ik niet van. In mijn boek is er sprake van wederzijdse herkenning tussen schrijver en lezer.''

Waarom koos u voor zo'n ongebruikelijke vertelvorm?

``Ik wilde zelf de verteller niet zijn en ik wilde ook geen arts als ik-persoon. Het boek moest verteld worden door iedereen. Bij mij thuis werd er veel gepraat. Niet zozeer om iets te zeggen als wel uit angst voor de stilte. Het waren vooral vrouwen die het recht hadden te spreken, de mannen hielden hun mond. Ik schrijf omdat ik er thuis nooit een speld tussen kon krijgen. In mijn boek heb ik iedereen om de beurt het woord gegeven, zoals ik vroeger wilde dat men mij het woord gaf. De joodse godsdienst leert je anderen niet aan te doen, wat je zelf niet wilt dat anderen jou aandoen. Ik ga nog een stap verder. Ik geef anderen datgene wat ik ook van hen wil krijgen.''

De vrouwen in Wincklers boek zijn vaak praatgraag en onaangenaam overheersend. ``Misschien ben ik wel harder voor vrouwen dan voor mannen, ja. Ik heb met hen nog een appeltje te schillen. Maar de geliefde van Bruno Sachs is toch een fantastische vrouw en zo zijn nog wel meer positieve vrouwenportretten'', zegt Winckler verdedigend. Hij is er trots op dat zijn boek door een joodse medische sociëteit is onderscheiden. Hoewel hij geen praktizerend jood is en geen talmoedstudies heeft gedaan, zit zijn boek vol joodse elementen. Het bevat bijvoorbeeld een variant op de kaddisj, een joods gebed dat bij sterfgevallen wordt uitgesproken. De oorspronkelijk Aramese tekst wordt afgewisseld met ritmisch rap-achtig Frans, een protestgedicht tegen de dood. ``Niet iedereen was ervan gecharmeerd'', glimlacht Winckler, die zijn overtuigingen vaak aan de hand van joodse anekdotes illustreert. Zo was er die Poolse rabbijn aan het eind van de vorige eeuw, die tijdens de sabbat een medicijn nodig had – iets wat hem verboden was. In plaats van dit in de synagoge te verzwijgen, zoals hij de arts had beloofd, verkondigde hij ten overstaan van iedereen welk medicijn hij had geslikt. ``Het was voor hem belangrijker zijn geheim met anderen te delen, dan zijn belofte te houden'', legt Winckler uit. ``Medische kennis dient gedeeld te worden. De arts in Europa zou een educatieve en informatieve rol moeten hebben. De mensen zijn veel minder ziek dan vijftig jaar geleden. Ze sterven niet meer van vandaag op morgen. In Europa kun je mensen heel goed verzorgen met weinig middelen en met alleen de noodzakelijkste onderzoeken. De kostbare onderzoeken doe je alleen bij die twintig procent die serieus ziek is. Om efficiënter en goedkoper te behandelen moet je minder angstig zijn. Je moet de mensen uitleggen dat dure onderzoeken niet nodig zijn, maar dat lukt natuurlijk alleen als je ze nooit hebt belogen. Ik haat artsen die zeggen dat als je mensen niet geeft wat ze willen, ze naar een ander gaan. Die zijn zwak en bang.''

Bent u een zwart schaap in de Franse medische wereld?

``Ongeveer twintig procent van de Franse artsen is het met mij eens. Steeds meer jongeren worden dokter om de goede redenen. Ze weten dat artsen geen notabelen meer zijn, dat ze het niet voor het geld of voor macht hoeven te doen. Ze willen genezen. Ze zijn blij met mijn boek omdat het laat zien dat een arts een mens is als alle anderen. Het probleem van de artsen in Frankrijk is dat hun trouw in eerste instantie uitgaat naar hun kaste en niet naar hun patiënten. Ze hebben een eigen medisch-ethische orde, omdat ze geen verantwoording willen afleggen aan de gemeenschappelijke ethiek. Maar er is geen enkele reden waarom artsen beschermd zouden moeten worden tegen de rest van de bevolking. Ze maken er deel van uit, ze staan er niet buiten. Als het gaat om leven en dood, heeft iedereen met kinderen of met ouders op leeftijd een net zo grote verantwoordelijkheid. De specificiteit van artsen is dat ze over kennis beschikken. Kennis die ze voor zichzelf houden. Dat is niet ethisch.''

Waarom bent u arts geworden?

``Je wordt arts om iets in de geschiedenis van je familie goed te maken, iets te repareren. Het is geen roeping. Ik ben medicijnen gaan studeren om het verdriet van mijn vader, die ook arts was, te verzachten. Mijn grootvader sneuvelde in de Eerste Wereldoorlog. Mijn vader leed er erg onder dat hij zijn vader nooit had gekend. We hadden maar één foto van mijn grootvader, in zijn uitmonstering van soldaat. Ik weet dat mijn vader geprobeerd heeft te schrijven, maar hij kwam niet verder dan kleine fragmenten, losse stukjes. Het lukte hem niet al schrijvend zijn identiteit te verkennen.''

Winckler zelf lukte het alleen onder pseudoniem - iets waarvoor hij geen verklaring heeft. Hij koos zijn schuilnaam bij Georges Perec, een schrijver met wie hij zich verwant voelt. ``Ik zou de zoon van Perec kunnen zijn. Ik zet zijn werk voort. Perec had zijn ouders niet meer. Ik had een vader die zijn vader niet meer had. Perec is mijn père-écrivain, mijn perec-rivain. Om me in zijn traditie te plaatsen, heb ik Winckler gekozen als pseudoniem. In La vie mode d'emploi is Gaspard Winckler de puzzelmaker, wiens vrouw bevalt van een doodgeboren kind. Ik heb symbolisch de plaats van dat kind ingenomen. Wat me in Winckler aantrok was dat er in Perecs oeuvre meerdere personages zijn met die naam, het is geen éénduidig type. ``Ik beschouw mezelf niet zozeer als een puzzelmaker. Een puzzel is vast, star, hij leeft alleen op het moment dat je hem maakt. Ik houd meer van Perecs beeld van de rat, die zelf het doolhof maakt, waaruit hij wil ontsnappen. Ik zie mijn schrijverschap als een reis. Bij iedere nieuwe etappe zet ik zelf de wanden op. Mijn pijn is niet die van een mort-vivant, een levende dode, zoals bij Perec. Hij vond dat hij geen recht had te leven, omdat zijn ouders waren gedood [in Auschwitz - MD). Ik lijd aan la douleur de vivre, de pijn te leven. We erven een verleden vaak zonder het te kennen. Perec spreekt over een verlies van voor zijn tijd. Ik over een verlies waar ik getuige van ben, maar het komt op hetzelfde neer. Schrijven is de maat nemen van dat verlies.''

Martin Winckler: De ziekte van Sachs. Uit het Frans vertaald door Théo Buckinx (La maladie de Sachs). Prometheus, 476 blz. ƒ49,90