Schade Balkan: `30 miljard dollar voorzichtig bedrag'

Een veertigtal landen heeft gisteren in Keulen unaniem een initiatief van de EU voor een stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa aanvaard. Daarmee zijn de fundamenten gelegd voor een soort Marshall Plan voor de Balkan.

,,Een historische stap voor Europa'', sprak de Duitse minister van Buitenlandse Zaken en voorzitter van de conferentie Joschka Fischer tijdens de Keulse top van ministers van buitenlandse zaken over een stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa. Hoewel harde cijfers over de omvang van de benodigde wederopbouwhulp in Kosovo op de conferentie ontbraken. ,,Tot we er heen kunnen gaan om exact te zien wat er moet worden gedaan, is het onmogelijk om precieze cijfers te geven'', aldus Nico Wegter, zegsman van Euro-commissaris Van den Broek.

Vast staat wel dat het om enorme bedragen moet gaan en dat Europa voor het merendeel van de kosten moet opdraaien. Amerika nam per slot van rekening 80 procent van de oorlogvoering voor z'n rekening en de Balkan ligt beslist in Europa.

Een regeringszegsman in Belgrado maakte het vorige week nogal bont met een schadetaxatie van 100 miljard dollar alleen voor zijn land. Vast staat dat de Joegoslaven zelfs niet op een fractie van dat bedrag mogen hopen zolang zij Milosevic als hun leidsman dulden.

Wat niet wegneemt dat de schade in klein-Joegoslavië enorm moet zijn. Volgens Navo-schattingen zijn minstens veertig grote en vitale bruggen vernietigd en ligt het gros van de chemische-, olie- en metaalverwerkende industrie in puin. Twee van Joegoslavië's industriële `kroonjuwelen' – de staatsolieraffinaderij Jugopetrol, die 50.000 mensen emplooi bood, en de automaker Zastavo, die tegen de 40.000 werknemers had - liggen in gruzelementen. Hetzelfde geldt voor veel kleinere bedrijven die onder meer pharmaceutica, sigaretten, schoenen, textiel en electronische onderdelen maken.

Ook het merendeel van de nationale radio- en televisiezenders, spoorwegdepots, vliegvelden, krachtcentrales en haveninstallaties is zwaar beschadigd. Dat de totale schade in klein-Joegoslavië het bruto nationale product van 20 miljard dollar benadert, lijkt daarom geen buitengewoon gewaagde taxatie.

In kringen van de Europese Commissie circuleerden onlangs ook enkele schadeschattingen. Van een paar miljard dollar voor buurlanden als Roemenië, Bulgarije en Macedonië, tot drie miljard dollar over drie jaar voor Kosovo en 30 miljard dollar om de hele Balkan er bovenop te helpen en de beloofde aansluiting bij het overige, meer welvarende Europa te bezorgen.

Een vergelijking van Kosovo met het naburige Bosnië, dat van 1992 tot 1995 bloedig burgeroorlog voerde, is misschien illustratief. In Bosnië werden op 4 miljoen oorspronkelijke bewoners een kwart miljoen mensen gedood, raakten er een miljoen intern ontheemd terwijl ruim een miljoen mensen naar het buitenland uitweken. In Kosovo dat vijf keer zo klein is als Bosnië woonden 2 miljoen mensen, van wie er bijna een miljoen naar het buitenland vluchtten of werden gedreven. Honderdduizenden zijn in Kosovo ontheemd en naar valt te vrezen zijn zeer velen afgeslacht. Bosnië had een meer ontwikkelde economie dan Kosovo maar Kosovo is door Servische plundering en Navobommen waarschijnlijk zwaarder gehavend.

Bosnië kreeg de afgelopen vijf jaar 5,1 miljard herstelhulp van de EU en de Wereldbank en mag voor de komende vijf jaar op nog eens 2,6 miljard rekenen. De Brusselse schattingen dat Kosovo voorlopig ook een miljard dollar per jaar nodig heeft, lijkt daarom redelijk plausibel.

De ervaringen in Bosnië bieden de gehavende buurlanden nog enkele lessen. Zo bleek de zuiver fysieke wederopbouw er veel gemakkelijker dan het ontwikkelen van een autonoom draaiende economie die niet meer exclusief drijft op externe kapitaalinjecties. Zo meldde de Nederlandse Balkancoördinator van de Wereldbank, Christiaan Poortman, eind vorige maand dat in Bosnië 75 procent ven de electriciteitsvoorziening alsmede 90 procent van de telefoon- en wegverbindingen al weer zijn hersteld en dat er nu zelfs meer lagere schoolleerlingen zijn dan voor de burgeroorlog in 1992. Maar de economische productie zit nog maar op 50 procent van het vooroorlogse niveau. Echte economische ontwikkeling en hervorming richting vrije markteconomie blijken veel lastiger dan zuiver fysieke wederopbouw. Waarbij nog de plaag van de naoorlogs hoogopgelaaide corruptie komt.

Verder kan het feit dat 40 procent van de ruim 1 miljoen naar het buitenlandse gevluchte Bosniërs nog altijd niet is gerepatrieerd twijfel wekken aan huidige optimistische prognoses over een snelle en massele terugkeer van Kosovaarse vluchtelingen.

Een probleem dat in Kosovo meer speelt dan in Bosnië is de grote economische afhankelijkheid tot nu toe van het eveneens geruïneerde klein-Joegoslavië. Hetzelfde geldt voor Montenegro en Macedonië. Maar een voordeel voor Kosovo schuilt volgens Wereldbankmanager Poortman in het feit dat de afgelopen jaren door donoren uitgewerkte hulpdraaiboeken voor Bosnië ook bruikbaar kunnen zijn in Kosovo.