Overheid moet uitverkoop van nationale industrie stoppen

Hoogovens is het zoveelste industriële bedrijf dat zijn Nederlandse karakter verliest. De uitverkoop van de industrie is in volle gang. Nederland neemt afscheid van een element van zijn nationale identiteit, vindt Menno Tamminga.

Is de uitverkoop van de Nederlandse industrie van eenzelfde orde als `Indië verloren, rampspoed geboren'? Fokker kwam in Duitse handen en ging bankroet, Daf heeft een Amerikaanse eigenaar, Van Leer gaat wellicht naar een Finse concurrent, de kabelbedrijven zijn in handen van Amerikanen en Fransen, het eerste elektriciteitsproductiebedrijf is al aan een Amerikaan verkocht en het hoofdkantoor van Hoogovens verdwijnt na het samengaan met British Steel naar Londen.

Wie maakt zich druk om de uitverkoop van grote Nederlandse industriële bedrijven? Het Nederlandse bedrijfsleven koopt zelf voor veel grotere bedragen in het buitenland, dan buitenlandse ondernemingen in Nederland. Concerns als ABN Amro, Aegon, Ahold, ING en Randstad zijn de afgelopen jaren wereldpartijen geworden. De verkochte Nederlandse industriële bedrijven gaan niet dicht, maar komen slechts in handen van buitenlandse eigenaren. En met buitenlandse grootaandeelhouders heeft Nederland – handelsnatie, open economie – traditioneel weinig problemen.

Het verlies van `ons' Indië viel aan de dageraad van een ongeëvenaarde welvaartsexplosie die in Nederland tot vandaag voortduurt. Toch moet nu iets knagen. De verkoopgolf van industriële iconen staat niet op zich, maar valt samen met een terugtrekken van de overheid uit diverse sectoren van de economie.

In de afgelopen eeuw mobiliseerde de overheid juist van tijd tot tijd het nationale belang van de industrie, voor de werkgelegenheid, voor een sterke economie en voor technische vernieuwing. Dat gebeurde aan het begin van de jaren dertig, na de Tweede Wereldoorlog (Marshallhulp), begin jaren tachtig (in reactie op de economische teruggang) en in 1993, toen de overheid het failliete Daf steunde, Hoogovens vers kapitaal gaf, een industriefonds opzette en – langs fiscale weg – Philips een geldinjectie gaf.

De honderden miljoenen technolease geld voor Philips wezen de nieuwe weg: de privatisering van de steunverlening. De overheid gaf Philips zelf geen geld, maar fiatteerde de fiscaliteit van het heen en weer schuiven van kapitaal en technische kennis tussen de Rabobank en Philips.

Sindsdien heeft de overheid zich als aandeelhouder teruggetrokken uit KLM, Nedcar, VAM, en zijn de aandelen van de Nationale Investeringsbank, die in 1945 is opgericht om de industrialisatie-impuls te helpen financieren, grotendeels verkocht. Hetzelfde geldt voor de meerderheid van de KPN-aandelen. Ook het overheidsbezit van aandelen Hoogovens gaat straks in de verkoop. De maakbaarheid van de samenleving wordt overgelaten aan het bedrijfsleven. Het ministerie van Economische Zaken kan logischerwijs bij de volgende kabinetsformatie bij Financiën worden ondergebracht.

Mobilisatie van industrieel elan door de overheid is nu afwezig. Het is kennelijk te zeer strijdig met de neoliberale ideologie en de vanzelfsprekende geneugten van de mondiale economie om voor eng nationale belangen te pleiten.Wie maakt zich in het heersend optimisme zorgen om een economische teruggang? Dat Nederland bij volgende saneringen met zijn werkgelegenheidsbelangen aan het kortste eind zal trekken. Met buitenlandse eigenaren is het taai zakendoen, zoals bleek bij de onderhandelingen over Fokker met Daimler-Benz. Als het op saneren aankomt, liggen buitenlandse dochters het eerst onder vuur. Renault sloot geen fabriek op zijn thuisbasis, maar wel over de grens in Vilvoorde.

Wie vindt het zorgwekkend dat de uitverkoop van nutsbedrijven, inclusief openbaar vervoer en kabelmaatschappijen, de inhoud van de dienstverlening en het tarievenbeleid van (semi)monopolies in buitenlandse handen legt? Of dat onderhandelingen over bijvoorbeeld milieu en mobiliteit wel van karakter moeten veranderen, als de feitelijke beslissingsmacht bij de tegenpartij in het buitenland zit?

De overheid gedraagt zich als de raad van bestuur van een beursgenoteerd conglomeraat, dat niet of weinig rendabele bedrijfsdelen afstoot om zich terug te trekken op profijtelijke kernzaken. Met één verschil: de BV Nederland is geen bedrijf. Nederland wordt nadrukkelijk een renteniersnatie, die industriële activiteiten aan buitenlandse concerns ,,uitbesteedt'' en steeds meer geld verdient met zijn beleggingen en investeringen.

De uitverkoop van de industrie maakt een einde aan een eeuw ambitie van Nederland om een eigen geïntegreerde economie te hebben. De beëindiging van de Koude Oorlog is daaraan niet vreemd. Industrialisatie (staal, auto's, vliegtuigbouw) was altijd nauw verweven met de landsverdediging en was cruciaal om in tijden van nood economisch autarkisch te (kunnen) zijn. Hoogovens is niet voor niets eind 1918 door banken, industriëlen en de overheid opgezet toen de staalinvoer door de oorlog tot stilstand was gekomen.

Het bezit van een `complete' eigen economie is daarmee onderdeel geworden van de nationale identiteit, naast elementen als gedeelde historie, gezamenlijke taal, koningshuis, vrijmarkt en de Oranje elf. De instandhouding van een eigen economie was een nationaal belang. Het stilletjes afstand doen van een deel van de eigenheid van de economie mag aansluiten bij het wegvloeien van nationale politieke beslissingsmacht naar het buitenland (Frankfurt voor de rente, Brussel voor regelgeving), maar betekent een breuk in de politieke economie zonder weerga. Dat liberalen dit de natuurlijke gang van zaken vinden behoeft geen betoog. Dat partijen als PvdA en CDA met een lange traditie van economische ordening zonder tekst zitten is verbazingwekkend.

Menno Tamminga is redacteur van NRC Handelsblad.