Op proefverlof de wereld in

`Writin' is fightin' beweerde Ishmael Reed ooit, en op zijn geheel eigen manier blijft zijn collega-schrijver en landgenoot Thom Jones materiaal aandragen om die stelling te onderbouwen. Sonny Liston was a friend of mine is alweer zijn derde bundel verhalen (de beide vorige waren getiteld The Pugilist at Rest en Cold Snap) en opnieuw laat Jones duidelijk merken dat het niet de `mensen in Nantucket in Volvo's' zijn die hem interesseren.

Wat hem wel interesseert? Het is niet eenvoudig samen te vatten. Het zijn de onaangepasten en de mentale probleemgevallen, de desperado's die zich vastklampen aan het wrakhout tussen allerlei wallen en schepen, het zijn mensen voor wie moraal een schimmig begrip is dat alleen maar heel ver weg gebezigd wordt. Het is het Amerika van de rand van de stad of juist van het doodgevallen centrum, van de dichtgeplakte cafés en pornovideotheken, de boksscholen en de gekkenhuizen. De bewoners van dit Amerika hebben zo ongeveer een dagtaak aan het slikken van anti-depressiva van de meest exotische herkomst, en wel in hoeveelheden alsof het Smarties zijn.

Dat klinkt allemaal niet zo origineel, en zeker als bekend materiaal voor wie wel eens luistert naar de wat minder gangbare hedendaagse rockmuziek, of wel eens ziet wat de film buiten Hollywood te bieden heeft. Maar Jones geeft het op papier een heartbeat mee die zijn werk vaak erg enerverend maakt.

Voor de meeste van zijn personages is het besef dat een leven in de Amerikaanse mainstream niet (langer) tot de mogelijkheden behoort al diep ingezonken. Het is een besef dat er allang niet meer toe doet. Maar de dagdroom, al is het maar een flard daarvan, blijft vaak nog wel ergens aanwezig. Zoals voor de bokser uit het titelverhaal, die verliest en weet dat hij het nooit ver zal brengen. Maar hij koestert een foto van zijn grote voorbeeld waarop deze eigenhandig schreef `from your friend Sonny Liston'. Dat Sonny Liston een vriend van hem is, is een kostbaar besef, dat iets te maken heeft met zijn besluit te overleven, `in the real world', zij het op zijn manier.

Somberder, om het maar mild uit te drukken, lijkt me het lot van de hoofdpersoon uit `40, Still at Home', die zijn weinige wakende uren doorbrengt met het achteroverdrukken van de morfinepillen van zijn aan kanker stervende moeder. Er resteert niet veel liefde of zorgzaamheid tussen die twee. Het klinkt vermoedelijk ongeloofwaardig, maar Jones slaagt erin van een zo onvoorstelbaar zwart gegeven juist iets humoristisch te maken, in de hilarische overdrijving van de hypochondrie van de zoon die, zoals de schrijver al in de tweede alinea vaststelt, meer dan zijn moeder `degene lijkt die op sterven na dood is.'

Toch is de lethargie van deze Matthew eerder uitzondering dan regel, gezien in het spectrum van Jones' karakters. Niet zelden ondernemen ze energiek een slecht doordacht initiatief, al is de uitkomst vaak méér chaos. Het is alsof de auteur zijn personages op proefverlof de wereld instuurt, en zelf ook een beetje afwacht wat ervan terecht komt. Dat pakt goed uit in `A Midnight Clear', het verslag van een Kerstbezoek aan een psychiatrische afdeling. Je moet maar durven denk ik als ik begin te lezen, maar Jones beschrijft het als elk ander te beschrijven sub-milieu, met humor, verveling, wreedheid en meer elementen die de initiële aanname van tragiek oneindig nuanceren. Dat het slaagt, heeft alles te maken met Jones' juiste talent voor de catch phrase, die soms wel eens al te catchy uitpakt, maar die de lezer er in elk geval telkens aan herinnert dat de schrijver hier controle heeft en zelf de eindigheid van de bewegingsvrijheid van zijn karakters bepaalt.

Het meest ambitieuze verhaal, en ook het meest uitwaaierend in relaties en geografie, is het slotverhaal `You Cheated, You Lied'. William, een Schopenhauer lezende patiënt van de wat schimmige huisarts Dr. Vitias, ontmoet in diens wachtkamer behalve de op Babe Ruth gelijkende `Ham' Hamsun, `who was holding it together with the thinnest of emotional glues', ook op zekere dag de even sexy als emotioneel onevenwichtige Molly die, na enkele wel zeer grafische ouvertures geplaatst te hebben, dezelfde avond bij hem intrekt. Haar seksuele honger kent geen grenzen en leidt tot problemen: ` ``It's been a half hour William. I'm bored. Let's do it,' she would say. ``Christ, I'm horny out of my mind! Screw me in the ass, I don't care...' '

Dat is het begin van een voorspelbaar chaotische relatie waarop ook de schrijver de greep behoorlijk kwijt lijkt te raken als het toneel zich naar Hawai verplaatst. Er zijn altijd wel weer memorabele scènes, er zijn nog meer tegen de betere Amerikaanse sportjournalistiek aanleunende beelden (`I saw his teeth spill across the floor like so many Chicklets') maar veel meer dan dat wordt het eigenlijk niet.

Ik merk dat de negatieve opmerkingen lijken te overheersen. Dat komt omdat het tamelijk ongelijk van kwaliteit is wat Jones aflevert, terwijl hij op zijn beste momenten toch moet worden beschouwd als een van de betere voortzetters van de Amerikaanse short story-traditie. Deze bundel is een literaire ervaring die, kwalitatief oordeel nog daargelaten, met weinig ander hedendaags werk te vergelijken is. Thom Jones is een schrijver van wie je eigenlijk nooit weet wat hij op de volgende bladzijde zal gaan doen. Laat hij ook vooral blijven schrijven over de dingen waar hij van weet: Vietnam, het boksmilieu, de wereld van hele en halve gekken, de mensen die wanhopig zin aan een bijna al verloren leven blijven geven. Een leven dat er vaak uit bestaat op je sodemieter te krijgen, en daar dan weer overheen zien te komen. Daarover schrijft hij vaak origineel, soms met compassie, maar meer dan soms heel erg geestig.

Thom Jones: Sonny Liston Was a Friend of Mine. Faber and Faber,

312 blz. ƒ42,55