Lucide maar te rustig docent

Hans Magnus Enzensberger feliciteerde de `unverwüstlicher Meister' met zijn `dicken Preis'. Vertaler Francisco Carrasquer schreef spontaan twee gedichten over het verschil tussen Nederlanders en Spanjaarden. En ex-communist Theun de Vries, die op hogere leeftijd steeds meer sympathie kreeg voor ketters, stuurde `Arthur Lehning who never changed his mening' een hartelijke brief. Maar voor de rest gingen er veel wenkbrauwen omhoog toen een half jaar geleden bekend werd dat de P.C. Hooftprijs 1999 voor essayistisch proza was toegekend aan de éminence grise van het anarchisme. Geboren uit Duitse ouders (1899), getogen in Zeist, jeugdvriend van Marsman, eerste uitgever van Slauerhoff, oprichter van de `Internationale Revue' i 10 met medewerkers als Kandinsky, Schwitters, Mondriaan en Romein, pleitbezorger voor Sacco en Vanzetti, deelnemer – met de pen – aan de Spaanse burgeroorlog, staflid van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, BBC-medewerker tijdens de oorlog, eredoctor van de Universiteit van Amsterdam, bezorger van de Oeuvres complètes van Bakoenin.

Een CV dat leest als gastenboek van Hotel `Avant Garde'. Met als bijlage een bibliografie van meer dan zeshonderd boeken, brochures, artikelen, lezingen, inleidingen en vertalingen. In onderwerp variërend van Opstandigheid (1920) tot Onder antiquaren (1997). Maar altijd getuigend van dezelfde droom: de emancipatie van de mensheid door de uitdrijving van Staat, Leger en Kapitaal.

Heel indrukwekkend en interessant allemaal, oordeelde men afgelopen december. Maar wat is de blijvende, kwalitatieve betekenis van dit enorme oeuvre en, if any, waarom pas nú deze erkenning?

Het antwoord op de laatste vraag hangt mogelijkerwijs samen met Lehnings on-Nederlandschap. Als rechtgeaard anarchist heeft hij zich van formele (lands)grenzen nooit veel aangetrokken. En in 1947 had hij er weinig moeite mee om de Engelse nationaliteit aan te nemen, nadat de Nederlandse regering hem tot twee keer toe een paspoort geweigerd had. Hoewel zijn broer, een fervent NSB'er, dat wél op zak had. Bestuur en jury van de sinds 1986 geprivatiseerde P.C. Hooftprijs achten deze buitengaatsheid geen bezwaar meer. Voor hen telt slechts dat Lehnings oeuvre grotendeels in het Nederlands geschreven is en, vooral, dat hij daarbij een `heldere, beheerste en doeltreffende stijl' hanteert.

Dat laatse valt voor iedereen sinds vandaag, de dag van de prijsuitreiking, makkelijk te controleren. Bij Meulenhoff verscheen met grote voortvarendheid De tocht naar Ithaka, een verzameling van vijftien essays, alle geschreven na 1945. Alle belangrijke thema's, gebeurtenissen en personen die Lehning in het kielzog van Odysseus ontmoette, passeren daarin in historische volgorde de revue, met uitzondering van de antiquaren. Al ging het volgens inleidster Toke van Helmond, Lehnings biografe en compagne, vooral om de `beste' artikelen.

De tocht naar Ithaka bevat inderdaad het beste uit Lehnings oeuvre: de Huizinga-lezing over `Vrijheid en gelijkheid' en de dankspeech `Ithaka' bij de aanvaarding van het eredoctoraat, beide uit 1976. Vooral in `Ithaka' weet de oude maestro jaloersmakend duidelijk te maken dat het vasthouden aan de droom van een betere wereld in zijn geval méér was dan een krampachtig vastklampen aan jeugdig idealisme en naïef optimisme. Utopieën van een wereld zonder macht en machtsmisbruik gaven althans zijn leven zin. En gaven hem telkens weer de moed om de tocht naar het eiland achter de horizon te hervatten, laverend tussen de Scylla van het vals lonkende staatssocialisme en de Charybdis van consumentisme en cynisme. Zonder GSM of smartdrug, maar met Kavákis' gedicht Ithaka: `overhaast de tocht toch niet. Het is beter dat die vele jaren duren zal; en dat ge landt op het eiland als ge oud zyt; rijk met al wat ge onderweg hebt verworven, en niet verwachtende dat Ithaka u rijkdom geven zal.'

De meeste artikelen uit Lehnings jongste verzamelbundel (eerdere verschenen in 1966, 1980 en 1987) reiken niet tot dit wijsgerige, troostvolle niveau. Het zijn nogal gedateerde stukken waar het gelegenheidskarakter te goed aan af te lezen valt. Te meer daar kennelijk de tijd ontbrak om de vele namen, die Lehning ruimhartig rondstrooit, te voorzien van geactualiseerde voetnoten. Want wie kent nog John Raedekers beeldhouwwerk `Het mannetje met de vleugels'?

Het sterkst zijn de portretten van vereerde generatiegenoten, met wie Lehning vaak een inspirerende relatie onderhield: criminologe Clara Wichmann, schilderes Charley Toorop, de dichters Marsman en Slauerhoff, de Indonesische vrijheidsstrijder en vice-president Mohammad Hatta, essayist en criticus Ter Braak (die hem de koosnaam `zachte Bakoenin' gaf). Hier ook komt de docerende, lucide, soms al te rustige redeneertrant van de P.C. Hooftpijswinnaar van 1999 goed tot haar recht. Gekruid met de nodige ironie: `Hij (Hatta) verwachtte wel iets van de communisten, maar niets goeds'. En maar een enkele keer dodelijk cynisch: `In 1938 waren er reeds vier kampen in Nederland waar Duitse vluchtelingen onder politiebewaking verbleven. In 1939 werd een nieuw kamp ingericht, Westerbork, dat echter pas onder een andere bewaking goed zou functioneren.'

De `jongere generaties' waarvoor De tocht naar Ithaka mede bedoeld is, zullen in deze staalkaart van een kleine eeuw politieke en artistieke rebellie ongetwijfeld iets van hun gading aantreffen. Mits ze Frans, Duits, Spaans en Latijn in hun vakkenpakket hadden. Want `honnête homme' Arthur Lehning (opnieuw een typering van Ter Braak) mocht zijn geleerde lessen graag doorspekken met een buitenlands citaat. Net als P.C. Hooft trouwens.

Een aantal gegevens werd ontleend aan een recent interview met Arthur Lehning in het tijdschrift `Buiten de Orde'.