Kunst in debat

DE STAATSSECRETARIS van Cultuur, Rick van der Ploeg, gaat niet achterbaks te werk. Vanaf zijn allereerste publieke optreden heeft de bewindsman gezinspeeld op de uitgangspunten op grond waarvan hij, allerlei toespraken, brieven en nota's verder, het Nederlandse subsidiebeleid tot en met 2004 zal inrichten. Dat hij telkens zoveel commotie teweegbrengt, komt niet alleen door zijn onbekookte analyses en zijn enerzijds-anderzijdsvoornemens, maar doordat de kunstwereld anders leest en luistert dan Van der Ploeg redeneert. Hij spreekt geen machtswoorden; hij wil in debat.

Ook de nota `Cultuur als confrontatie', de `uitgangspuntenbrief' die hij deze week presenteerde en die als basis dient voor het verdelen van de kunstsubsidies, is niet bedoeld als ijkpunt voor subsidievragers. Er is geen sprake van een dictaat, schrijft Van der Ploeg in een slothoofdstuk. Het stuk is een `opmaat', een manier om ,,reacties uit (te) lokken''. Het is dus een discussiestuk, niet een receptenboek voor het binnenhalen van een subsidie waar de kunstenwereld het voor houdt. Zo'n aanpak is verwarrend, want vraagt om denkkracht en energie. Dat is sympathiek, net zoals de manier waarop de staatssecretaris de hand in eigen boezem steekt. Hij wil af van het gelobby. Anders dan zijn voorganger zal hij zich houden aan de besluiten van de Raad voor Cultuur. Dat legt wel de verantwoordelijkheid bij Van der Ploeg om er op toe te zien dat de raad zich daadwerkelijk informeert en zich niet, zoals onlangs gebeurde, verschuilt achter ondeugdelijke argumenten.

EEN VAN DE voornaamste ideeën komt voort uit Van der Ploegs terechte kruistocht voor een sterkere band tussen kunstenaars en publiek. Zoals steeds maakt hij zich sterk voor een breder publiek. Van der Ploeg zoekt de verbreding van het publiek bij jongeren en allochtonen, en hij voegt er nu de bewoners van het platteland aan toe. Om hun aandacht te vangen voor wat er gebeurt in theaters, op concertpodia en in museumzalen, propageert Van der Ploeg de bevordering van hun aanwezigheid op de plaatsen waar programmering en beleid worden gemaakt. Hij hamert op hun deelname aan besturen van kunstinstellingen en aan commissies die subsidieaanvragen beoordelen. Provocerend gaat hij voorbij aan de deskundigheid die zoiets vraagt, en bevordert hij impliciet de positieve discriminatie die elders tot zulke desastreuze resultaten heeft geleid. Immers, wie heeft er zin in om te besturen als hij niet om zichzelf, om reden van zijn expertise, is aangesteld maar als vertegenwoordiger van een minderheidsgroep in de kunsten?

Van der Ploeg schept hier een probleem dat de provocatie voorbij gaat. De jongeren heeft hij afgebakend, ruim zelfs: iedereen die nog geen veertig is, is er één en mag zich verheugen in een grotere kans om zitting te nemen. Uitmaken wie als plattelandsbewoner mag deelnemen aan een bestuur of commissie wordt al moeilijker, want wanneer is bijvoorbeeld de bewoner van een kleine stad nog een plattelander? Telt import? Of zijn er hele provincies die zich kwalificeren? Maar wie is in vredesnaam een allochtoon? Iemand met een buitenlands paspoort? Iemand die niet accentvrij Nederlands spreekt? Iemand met een andere huidskleur? Elke maatstaf is op zijn minst onvoldoende en sowieso beledigend. Debat of geen debat, dat kan de bedoeling niet zijn.