In het midden van niets

Een Nederlander, zo stelde Boudewijn Büch ooit vast in Eilanden (1981), is te weinig `eiland romantischgevoelig'. Omdat hij zich de tijd niet gunt om er eens goed over na te denken, heeft hij onvoldoende besef van de gelukzalige eenzaamheid die iemand op een eiland ten deel kan vallen. En dus begrijpt hij niet wat iemand op een onbewoond eiland te zoeken zou kunnen hebben. Ik herinnerde mij deze passage ineens toen ik Het verdwaalde eiland aan het lezen was, het tweede boek van de voormalige journalist Alfred van Cleef. Zeker in het begin moet men al zijn eilandgevoel bij elkaar schrapen om zich te kunnen verplaatsen in zijn allesoverheersende verlangen om een tijdlang te willen bivakkeren op een wel erg afgelegen plek: het eiland Amsterdam in de Stille Oceaan, 3000 kilometer verwijderd van enig vasteland. Met veel zorg koos hij dit punt in het midden van niets, om daar vervolgens zijn hele ziel en zaligheid in te leggen.

Met hoeveel liefde, komisch vernuft, stijlgevoel en historisch besef Het verdwaalde eiland ook geschreven is, ik kan me niet goed voorstellen dat er ook maar één lezer zal zijn die net als Van Cleef toestemming zal willen vragen bij het bestuur van de Franse Zuidelijke en Antarctische Gewesten in Parijs om ook eens een bezoek aan Amsterdam te mogen brengen. Nog afgezien van de huizenhoge ambtelijke barrière die daarvoor genomen moet worden – in de eerste vijftig bladzijden van het boek geeft Van Cleef daarvan een bij vlagen hilarisch verslag – is de reisbestemming zelf verre van aanlokkelijk te noemen. Een minuscule, veelal in dichte mist gehulde vulkaantop, temidden van veel woest water, dat is Amsterdam in een notendop. In het boek worden verschillende karakteriseringen gegeven, de ene nog onguurder dan de andere. `Het eind van de wereld: rauw, genadeloos, onberoerd', dat is er een. Of deze: `een eiland van windstoten, bijtende pelsrobben, ravijnen, moerassen en vallend gesteente.' Wat moeten we hier nog aan toevoegen? Dat het op Amsterdam bijna altijd regent en stormt, dat je er amper aan land kunt komen, dat het terrein moeilijk begaanbaar is, dat het aantal sterf- en zelfmoordgevallen onder de elkaar aflossende biologen en weerkundigen die het eiland sinds 1950 tijdelijk bewonen opmerkelijk hoog is en dat ook de flora en de fauna niet speciaal om over naar huis te schrijven zijn? Uitstervende phylicabomen, mossen, manshoge, stekelige biezen, varens en distels, dat is ongeveer wat het eiland aan vegetatie te bieden heeft. Ook de dierenwereld, die gevormd wordt door pelsrobben, pinguïns, zeeolifanten, wilde koeien, albatrossen en miljoenen vleesvliegen lijkt uitsluitend een trekpleister voor ter zake kundige biologen. Van Cleef doet weliswaar interessante mededelingen over de zeldzame, want alleen op het eiland broedende Amsterdam-albatros of over de gefrustreerde pelsrobmannetjes die in de paartijd achter het net hebben gevist en nu liggen te somberen op het `kneuzenstrand', maar het is ook duidelijk dat hij niet voor de dieren naar Amsterdam is afgereisd. De pelsrobben stinken, zo meldt hij bij herhaling, en ze zijn agressief, de zeeolifanten zijn onooglijk, de pinguïns bevinden zich op onbereikbare stranden en de wilde koeien zijn bepaald geen mensvriendelijke dieren. Alleen de albatrossen, die in paren leven en wel tachtig kunnen worden, kunnen zijn goedkeuring wegdragen: `beschaafde, elegante, rustige vogels'. Naar het hem toeschijnt zijn het bovendien gelúkkige vogels.

Geluk, dat is bij alle mistroostigheid waarvan we deelgenoot worden gemaakt, het grote toverwoord in dit boek. In het merkwaardige gezelschap van 36 andere eenlingen, probeert Van Cleef, die in gedeprimeerde toestand uit dat andere Amsterdam vertrok, zichzelf te hernemen. Hij heeft zich voorgenomen gelukkig te worden op het eiland van zijn dromen en af en toe is hij het ook, als hij een ineens een regenboog ziet, of als hij, na een inspannende tocht de hoogste vulkaantop bereikt en uitzicht heeft over de ontzagwekkende leegte van de Stille Oceaan, terwijl hij tegelijk de omtrekken van Amsterdam kan zien. Ook lijkt hij wel enig genoegen te beleven aan de omgang met zijn mannelijke medebewoners, die met de nodige distantie getypeerd worden als `de Asceet', `de Kleffe' of `de Schoorsteen'. Gaandeweg ontstaat er tijdens de maaltijden en tijdens wandel- en klimtochten een hoekig soort gezelligheid, al is er ook wel eens ruzie, over de hoeveelheid chocoladepasta die per persoon genuttigd mag worden bijvoorbeeld. Over privézaken wordt niet gepraat, volgens stilzwijgende afspraken. `Aan tafel werd gesproken over de komst van een nieuwe zeeolifant, de vondst van zeldzaam vogelbraaksel of onverwachte pinguïnsporen, de abrupte weersveranderingen.' Van Cleef, ofwel `de Amsterdammer', neemt dan ook niemand in vertrouwen over zijn eigenlijke drijfveren om vier maanden op het eiland door te willen brengen. Officieel treedt hij er in de voetsporen van Willem de Vlamingh, een schipper van Vlieland, die in 1695 naar `het Grote Zuidland' vertrok en die geldt als de ontdekker van het eiland. In de praktijk probeert Van Cleef ook wel om De Vlaminghs gangen op Amsterdam na te gaan en hij geeft op grond van secundaire bronnen een aandoenlijk verslag van de slopende, twee jaar durende VOC-expeditie. Maar het resultaat van zijn sporenonderzoek is nihil. Er is niets op het eiland dat nog herinnert aan het korte bezoek dat De Vlamingh er drie eeuwen eerder bracht. Die uitkomst draagt bij aan het extreem weerbarstige karakter van het eiland. Niets lijkt er bestand te zijn tegen de elementen. Alles wat mensenhanden inbrengen wordt door de natuur teniet gedaan. Aangelegde tuinen waaien weer weg, geïmporteerde kippen, eenden en koeien komen om of verwilderen, windmolens raken hun wieken kwijt, een weggelopen kalf dat liefdevol met de fles wordt grootgebracht, moet later weer worden afgemaakt omdat het zijn pleegouders naar het leven staat.

Daar moet wel ongeveer de uitdaging liggen die Van Cleef in dit eiland ziet: de alom tegenwoordige vergeefsheid inspireert hem er nog eens extra toe om zijn eigen, op drift geraakte leven te willen verankeren. Regelmatig trekt hij zich terug uit de `hoofdstad' van het eiland om zich in opperste eenzaamheid te wentelen in zijn binnenste zelf. Pas tegen het eind van het boek, in wat je de ontknoping zou kunnen noemen, wordt duidelijk welk leed hem kwelt en naar de verste verten dreef. Hij blijkt te rouwen om gedeporteerde familieleden die hij nooit gekend heeft: grootouders, ooms en tantes. Hij vormt de laatste tak van een ontwortelde stamboom. Een dode tak, want tot zijn verdriet is hij onvruchtbaar en kan hij dus geen nakomelingen verwekken - de reden waarom zijn vrouw hem verliet. Anders dan de pelsrobben op het eiland die niets anders lijken te doen dan zich voort te planten, zal hij geen biologische sporen kunnen nalaten. Om zich niet te hoeven vereenzelvigen met de chagrijnige robben op het kneuzenstrand, zal hij het dus over een andere boeg moeten gooien om toch iets van zichzelf achter te kunnen laten.

Met De verloren wereld van de familie Berberovic (1994) had Van Cleef al bewezen een aangrijpende geschiedenis te kunnen schrijven. Waar in zijn debuut nog vooral de journalist werkzaam was, zijn oor lenend aan getroffenen van de oorlog in Bosnië, daar is hij in Het verdwaalde eiland duidelijk een meer literaire richting ingeslagen. Niet de feiten maken hier de dienst uit, maar de gedachten en gevoelens die ze weten op te wekken. Het eiland Amsterdam is een eiland van niets, welbeschouwd, een bodemloze put waar alles in verdwijnt, een lege plek in een nog veel grotere leegte. Maar Van Cleef weet ons te overtuigen van het belang dat die plek voor hem heeft, voor het overwinnen van zijn eigen angst voor de leegte, zijn horror vacui. De literaire prestatie die hij hier levert, is dat er een leegte wordt opgevuld, dat er een verhaal is ontstaan rond iets onspectaculairs, dat een verdwaald eiland tenslotte toch nog een mooie bestemming heeft gekregen.

Alfred van Cleef: Het verdwaalde eiland. Amsterdam op 3750° zuiderbreedte.

Meulenhoff, 240 blz. ƒ36,90