Ik ben niet van opinie veranderd

De Indonesische schrijver Pramoedya Ananta Toer is niet alleen een schrijver van schitterende boeken, maar ook een man met sterke politieke opinies.

Rudy Kousbroek is een bewonderaar van zijn boeken.

Pramoedya Ananta Toer had ik al eens ontmoet in Jakarta, ruim tien jaar geleden, samen met Kees Snoek en Remco Campert. Ik vermoed dat het bezoek destijds de inlichtingendienst niet ontgaan is: Pramoedya werd ongetwijfeld in de gaten gehouden, hij stond onder huisarrest en moest zich wekelijks melden bij de politie. Ik had bijna alles van wat van hem in druk was, gelezen en daar ook over geschreven; tot mijn verrassing leek Pramoedya daarvan op de hoogte te zijn, al is het moeilijk om dat met zekerheid te zeggen. Bij die gelegenheid ondervond ik al dat hij er een meester in is je in het onzekere te laten en directe vragen zelden beantwoordt.

Hij laat dan in het ongewisse of hij de vraag goed verstaan of zelfs maar gehoord heeft, en dan durf je er niet op door te gaan. Ik tenminste niet; niet alleen dat hij lijdt aan een tamelijk ernstige doofheid, maar ook weet hij op een of andere manier de indruk te geven dat aandringen niet gepast is.

Hoe dat ook zij, hij begroette mij met grote hartelijkheid, ondanks het feit dat ik mij weliswaar heel bewonderend, maar over sommige dingen ook kritisch had uitgelaten.

In de tien jaren die voorbij zijn gegaan heeft de frictie over deze onderwerpen zich eerder verscherpt. Voor de begrijpelijkheid van wat volgt zal ik proberen samen te vatten waar het over ging. Politiek, uiteraard. Een belangrijk punt is dat Pramoedya een enthousiast aanhanger was (en is) van de eerste president van Indonesië, Soekarno, en speciaal van diens `geleide democratie', terwijl ik daar juist grote reserves tegen had (en heb). Het ernstigste verschil van mening betrof Soekarno's politieke ouvertures in de richting van Maoïstisch China, en Pramoedya's eigen enthousiasme voor dit regime. Zelf was ik daar, het waren de dagen van het zogenaamde `China debat', een verklaarde tegenstander van.

Dat betekent niet dat ik enige positieve gevoelens koesterde jegens Soeharto's Orde Baroe – maar dat nu is helaas precies wat Pramoedya's sympathisanten in Nederland, aangevoerd door Prof. Wertheim, er systematisch van probeerden te maken. Wie het niet met hen eens was was een fascist, handlanger van de CIA, in dienst van de Guo Min Dang, etc. Vooral mijn kritiek op Wertheim, die het op dat gebied wel heel bont heeft gemaakt, maar aan wie Pramoedya zeer verknocht was, moet Pramoedya mij heel kwalijk hebben genomen; dat maakte dat ik mij niet zonder ongerustheid afvroeg hoe het weerzien zou verlopen.

Zo lagen de zaken toen ik begon mij voor te bereiden op de ontmoeting van dinsdagavond. De opgave was een aantal goede vragen te verzinnen, en een inleidende tekst schrijven die waarschijnlijk moest maken dat reserve jegens bepaalde poltieke opvattingen van Pramoedya niet in tegenspraak is met het inzicht dat hij een romanschrijver is van wereldformaat. Wat ik daarbij ook duidelijk wilde maken is hoeveel in dat inzicht te danken is aan mede-presentator Prof. Teeuw, die over Pramoedya een schitterend en verhelderend boek heeft geschreven. Dat te zeggen waar hij bij zit is delicaat, maar deze studie van Teeuw is werkelijk de sleutel tot Pramoedya's werk, en je kunt moeilijk verwachten dat hij dat zelf zal zeggen. Het is ook mede dankzij Teeuw dat ik de smaak te pakken kreeg van Pramoedya's latere romans, want mijn bewondering voor hem berustte aanvankelijk vooral op het vroegere werk.

Ode

Ik moet overigens zeggen dat het een belevenis was om Pramoedya uit dat vroegere werk te horen voorlezen, zoals hij deed in de aula van de Leidse Universiteit op Maandag 7 Juni. Na een introductie van Henk Maier (de opvolger van Teeuw als hoogleraar Indonesisch) las Pramoedya uit het tweede (eigenlijk eerste) hoofdstuk van Bumi manusia (De aarde der mensen), een ontroerende ode aan de Westerse wetenschap, op dat moment nog niet aangetast door desillusie. Maar nog aangrijpender was het verhaal Yang sudah hilang (1952, vertaald als Verloren en Wat verdwenen is, resp. Leopold 1979 en De Geus 1991), in mijn ogen met Bukan pasarmalam (1951, vertaald als La vie n'est pas une foire nocturne, Gallimard 1993) een van de mooiste dingen die Pramoedya heeft geschreven: treurig, subliem en berustend, met soms iets dat aan Maria Dermoût doet denken.

Dat was voor mij een hoogtepunt, niet in de laatste plaats omdat hij zich van dat vroege werk naar verluidde gedistantieerd had. Ik had altijd voetstoots aangenomen dat dat waar was – in zijn nieuwe uit China afkomstige wereldbeschouwing immers was dat bourgeois-literatuur, fatalistisch en defaitistisch. Hem dat nu zelf te horen lezen had daarom ook iets geruststellends, iets verzoenends. Het bracht mij op de gedachte over dat vroege werk een vraag te stellen, namelijk over een zinsnede in het verhaal Hadiah kawin (1952, vertaald als Het huwelijksgeschenk, De Geus 1991). In dat verhaal richt de schrijver zich aan het eind, als de verschrikkelijke conclusie van het drama nabij is, rechtstreeks tot de lezer met de vraag: ,,Zullen we het veranderen, moet er een andere afloop komen?''

Dat is een fundamentele vraag in het telkens weer terugkerende raadsel van de relatie tussen literatuur en werkelijkheid: – kàn dat, nam ik mij voor Pramoedya te vragen, kan er iets veranderd worden of is de loop der dingen onafwendbaar?

Het leek mij een goede vraag omdat er geen politiek in voorkwam, of tenminste niet rechtstreeks, en ik had mij voorgenomen niet over politiek te beginnen.

Er viel mij nog een andere niet-politieke vraag in, die naar ik gemerkt heb ook anderen bezighoudt: hoe is het om na bijna een halve eeuw van gevangenschap en afzondering ineens in de grote kosmopolitische wereld te staan: Amerika, Canada, Europa? Het moet een Rip Van Winkle-achtige belevenis zijn: viel het mee of tegen? De vraag zoals ik hem had opgeschreven luidde:

Is het voor U anders om in Nederland te komen dan in een ander land? Hebt U nog enig gevoel van een gedeeld verleden, van herkenbaarheid (bijvoorbeeld het zien van woorden met oe), van lotsverbondenheid met ons? Heeft het betekenis voor U dat U in Nederland vermoedelijk meer lezers en geestverwanten hebt dan waar ook ter wereld (met inbegrip van Indonesië)? Bent U zich ervan bewust dat veel Nederlanders, en niet in de laatste plaats Indische Nederlanders U zien als een soort verwant, als iemand met wie zij zich kunnen identificeren, of in elk geval veel meer dan met schrijvers uit andere niet-westerse landen; dat is toch ook een erfenis van de koloniale episode, en nu eens niet iets negatiefs.

In aansluiting daarop besloot ik nog een vraag te stellen die wel een politieke lading had, iets met betrekking tot Soekarno. Het kwam doordat ik niet lang daarvoor had zitten praten met iemand uit de `tweede golf' van repatrianten, iemand die met min of meer idealistische gevoelens was gebleven en Indonesiër was geworden, en die mij met levendige voorbeelden beschreef hoe hij en gelijkgestemde Indo's daarna door Soekarno zijn getreiterd en weggepest: de geschiedenis van de zogenaamde `spijt-optanten'. De vraag zoals ik die opschreef luidde:

,,Het is wel vaker opgemerkt dat in uw boeken Indo's een betrekkelijk sympathieke rol spelen; nu is het helaas zo dat deze Indo's – niet de vooraanstaande en de welgestelde, want die waren al lang weg, maar de zg. kleine boengs, in feite door Soekarno het land uit zijn gepest. Waarom deed Soekarno dat? En gegeven dat hij ze weg wilde hebben: waarom moest het met zoveel pesterij – herkenbaar hetzelfde getreiter dat onder andere in uw Lied van een stomme wordt beschreven, en waarvan je je altijd afvraagt: waarom moet het op die manier? Waarom doen mensen dat toch?''

Hartelijk

Met deze vragen, uitgeschreven en vertaald in het Indonesisch, arriveerde ik in het restaurant waar we elkaar zouden treffen. De ontmoeting met Pramoedya was ook ditmaal weer heel hartelijk; zijn vrouw, Maimuna Thamrin, was eveneens van de partij. Ook voor haar heb ik een enorme bewondering: zij heeft een onvoorstelbaar moeilijk leven gehad, blootgesteld aan allerlei pesterijen, haar man in gevangenschap, vrijwel geen inkomen, acht kinderen à charge: ze zou een standbeeld verdienen. En Pramoedya's uitgever Joesoef Isak was er, een hoogst oorspronkelijke man met een uitstekend gevoel voor humor, perfect Nederlandstalig, een voorbeeld van het soort Indonesiërs bij wie ik mij onmiddellijk thuisvoel. Pramoedya las alle teksten, zowel die van prof. Teeuw als die van mij, aandachtig door, en zo gingen we naar Diligentia.

Hier kan ik niet anders doen dan in alle eerlijkheid zeggen dat de antwoorden van Pramoedya, ook op de vragen van prof. Teeuw, een grote teleurstelling waren. Teeuw had twee interessante vragen, over de merkwaardige predominante rol van vrouwen in Pramoedya's boeken, en over de tetralogie, oorspronkelijk geschreven als gevangene op het eiland Boeroe: waar haalde Pramoedya de ongelooflijke hoeveelheden achtergrondmateriaal vandaan: ,,zat dat allemaal in je geheugen? Had je toch boeken bij de hand? Was er hulp van medegevangenen? Is er later bij de uitgave van de boeken nog controle van bronnen geweest?''

Pramoedya's antwoorden waren ontwijkend. Ook bij mijn vragen ging hij in feite nergens op in. In antwoord op de vraag over de relatie tussen literatuur en werkelijkheid en het al of niet onafwendbare van de loop der dingen antwoordde hij eerst met een doctrinaire politieke verhandeling, en nadat ik nog eens aandrong, met een dooddoener (`het hangt er vanaf wie het auteursrecht heeft'). De vraag of hij in zijn hart nog een speciaal plekje voor Nederland had keurde hij geen antwoord waardig: ik kreeg de indruk dat hij had zitten zinnen op een vernietigende repliek op mijn vraag over het treiteren van Soekarno.

Toen die repliek kwam kon ik mijn oren haast niet geloven: hij vertelde een verhaal vol bloed en geweld over hoe de Indo's na de Japanse capitulatie wapens hadden gekregen van de Engelsen en deze gebruikten om er de Indonesische vrijheidsstrijders mee aan mootjes te hakken. Het had geen zin daarop in te gaan: ten eerste is dat beeld eenvoudig onwaar, en ten tweede ging het hier niet om de bersiaptijd maar om gebeurtenissen van jaren later: de repatriëring van de spijtoptanten. Wat mij nog het meest hinderde was Pramoedya's uitroep, voorafgaande aan deze onzin, dat het tijd werd eens een objectief historisch onderzoek te doen naar de gebeurtenissen van na de Japanse capitulatie. Het is te hopen dat de historiciteit van de details in de Boeroe-tetralogie van een andere orde is.

Later overwoog ik dat het diezelfde onbuigzaamheid en onverzoenlijkheid moeten zijn geweest die Pramoedya in staat hebben gesteld te overleven onder onvoorstelbare omstandigheden van willekeur en gevangenschap. Het Indonesische tijdschrift Tempo van 10 mei 1999 was bijna geheel aan Pramoedya gewijd. Een interview droeg als titel het veelzeggende citaat: `Yang tidak setuju, ya, minggir saja', `zij die niet volgen moeten opzij gaan'. En een antwoord van Pramoedya op een van de vragen luidt: ,,Sampai sekarang rasanya tidak berupah..'' ,,tot op heden ben ik niet van opinie veranderd''.

Wat mij ook teleurstelde waren de antwoorden van Joesoef Isak, en het feit dat hij, die zo scherp en grappig kan formuleren in het Nederlands, er een punt van maakte om in het Indonesisch te antwoorden. Wat zijn ze toch verpolitiekt, zo overdacht ik; maar ik kan het niet over mijn hart verkrijgen het ze kwalijk te nemen. Is dezelfde Pramoedya de schrijver van die prachtige, zuivere en ontroerende passages in zijn romans? Ja, dat is en blijft hij, en voor de rest geldt de bekende uitspraak dat ik het niet met zijn politieke opinies eens kan zijn, maar bereid ben zijn recht om ze er op na te houden tot het uiterste te verdedigen.

Tijdens de door boekhandel Van Stockum georganiseerde avond in Diligentia, dinsdag 8 juni jl. waren aanwezig: Pramoedya Ananta Toer en zijn uitgever Joesoef Isak, emeritus hoogleraar Indonesische talen prof. dr. A. Teeuw en Rudy Kousbroek.

Pramoedya Ananta Toer: De verbeelding van Indonesië, De Geus 1993.

Hij begroette mij heel hartelijk, ondanks het feit dat ik mij over sommige dingen kritisch had uitgelaten

Zijn onbuigzaamheid en onverzoenlijkheid moeten Pramoedya in staat hebben gesteld te overleven