Het nieuwe beschavingsoffensief

Met zijn kunstbeleid wil staatssecretaris Van der Ploeg het nieuwe socialistische ideaal van de multiculturele samenleving dichterbij brengen.

,,Het is de bedoeling kunst te brengen aan allen, die haar tot nog toe niet of maar schaarsch genoten.' Zo omschreef de socialistische organisatie Kunst aan het Volk, opgericht in 1903, haar doel. Met degenen die amper van kunst konden genieten, werden begin deze eeuw de `leden der arbeidersklasse' bedoeld, de proletariërs, de `verworpenen der aarde', zoals Henriette Roland Holst ze noemde in haar vertaling van het socialistenstrijdlied De Internationale.

Het zijn de culturele verheffingsidealen van de socialisten geweest die er na de oorlog voor hebben gezorgd dat Nederland een `cultuurbeleid' kreeg. De term werd mede gemunt door de eerste naoorlogse minister voor kunst, de socialist Gerardus van der Leeuw. Hij wilde dat kunst in dienst stond van de volksopvoeding: er moest een `actieve cultuurpolitiek' gevoerd worden, om persoonlijkheidsvorming en gemeenschapszin te bevorderen.

Kunst was in de eerste helft van deze eeuw voor sociaal-democraten een middel om een betere wereld te bereiken, om de beschaving op een hoger peil te brengen. Kunstpolitiek kon niet los gezien worden van sociale politiek, vond de vooroorlogse grondlegger van sociaal-democratische cultuurpolitiek, de Amsterdamse kunstwethouder Emanuel Boekman. Dan bleef kunst het privilege van `heersende groepen'.

Het kunstbeleid is na de oorlog steeds verder ge-`ontideologiseerd'. Vlak na de oorlog, tot in de jaren zestig gold nog het oude socialistische beschavingsideaal. De kunst gesteund om het volk van het lagere vermaak weg te houden: het had een beschavende werking. In de roerige jaren zestig werd dat idee als achterhaald overboord gegooid en werd kunst gesteund door de regering omdat die het niet erg scherp omschreven `welzijn' van de mens ten goede zou komen. Vanaf de jaren tachtig was de overheid er vooral op uit om de kwaliteit van kunst (minister Brinkmans `topkunst') te stimuleren.

Met de komst van de socialistische staatssecretaris Rick van der Ploeg is aan die `ontideologisering' een eind gekomen. Het kunstbeleid is in één klap weer geïdeologiseerd.

De tijden van `Kunst aan het Volk' keren, na bijna een eeuw, terug. De naoorlogse overheidspogingen om kunst te spreiden, zijn eigenlijk mislukt, stelde dr. W. Oosterbaan Martinius al vast in zijn studie naar het kunstbeleid Schoonheid, Welzijn, Kwaliteit (1990).

Staatssecretaris Van der Ploeg deelt die mening, blijkens zijn dinsdag verschenen uitgangspuntennota Cultuur als confrontatie. En hij wil het daar niet bij laten zitten. Kunst en cultuur moeten `bij zoveel mogelijk mensen worden gebracht' hij. Hij komt daartoe met een `Actieprogramma Cultuurbereik'. `Kwaliteit' is niet meer het belangrijkste criterium waarop een kunstinstelling subsidie kan krijgen. Minstens zo zwaar telt mee of een instelling aan `divers bereik' doet. En wie niet zijn best doet een breder publiek te bereiken, moet het met minder subsidie stellen.

Dat is de strijdbare terminologie van het socialistische beschavingsoffensief. Wie de stukken van Van der Ploeg leest, ziet dat ook de uitgangspunten dezelfde zijn gebleven. Alleen zijn het niet langer de proletariërs die te schaars van de kunst kunnen genieten en opgevoed moeten worden, maar vooral de jongere en allochtone Nederlanders. Zij zijn de nieuwe verworpenen der aarde, buitengesloten als ze worden van de cultuur. Als daar niet krachtdadig wat aan gedaan wordt, ziet, in de analyse van de PvdA, de toekomst er somber uit.

Galeriehoppers

De allochtonen (en jongeren en `mensen in de provincie', ook buitengeslotenen) zijn de nieuwe proletariërs. En de oude elite, de `heersende groepen' van Boekman, dat zijn het handjevol autochtone `operaliefhebbers, concertbezoekers en galeriehoppers', zoals Van der Ploeg ze omschrijft. En aan die `monocultuur' wil de staatssecretaris een eind maken, schreef hij in zijn veertien dagen oude nota Ruim baan voor culturele diversiteit.

De idealen van Kunst aan het Volk zijn nieuw leven ingeblazen door de denkers in de Partij van de Arbeid. Rick van der Ploeg is met een beschavingsoffensief voor de socialistische 21ste eeuw begonnen.

De oude socialisten streden voor een rechtvaardige, toekomstige wereld: de heilstaat. De nieuwe socialisten hebben ook een doel dat ze nastreven: de multiculturele samenleving.

Van der Ploeg voert uit waartoe Ed van Thijn, oud-burgemeester van Amsterdam, oud-minister en partij-ideoloog al opriep in 1997. Volgens hem verwaarloost de `bestuurlijke elite' zijn `educatieve taak' als het om de `multiculturele samenleving' gaat.

Van Thijn zei bij zijn aantreden als bijzonder-hoogleraar op de Cleveringa-leerstoel aan de Leidse universiteit in 1997: ,,Als het om de acceptatie van de multiculturele samenleving gaat, is het de bestuurlijke elite die de muziek maakt' en ,,Onze bestuurlijke elite moet de moed verzamelen om, zonodig dwars tegen de stroom in, het ethisch profiel van een op actieve tolerantie gebaseerde, multiculturele samenleving hoog te houden.'

Moed kan Van der Ploeg wel gebruiken, want in de kunstwereld, van de Raad voor Cultuur tot kunstenfondsen, rijst de stroom van negatieve reacties op zijn plannen al meer en meer. Men vreest voor aantasting van de kwaliteit van de kunst en de voorzieningen; voor de zorgelijke relatie tussen kunst en maatschappij die Van der Ploeg signaleert, heeft men minder oog.

Hoe ziet het ideaal van de nieuwe multiculturele samenleving eruit? Het is er een waarin verschillende culturen `interactief met elkaar omgaan', met intercultureel onderwijs dat opleidt tot `actieve tolerantie'. De basis moet volgens Van Thijn zijn dat de fundamentele (van oorsprong westerse) rechten van de mens gerespecteerd worden, maar daarbij hoort dat ieder zijn eigen cultuur mag beleven en deelt met anderen.

De socialisten moeten het voortouw nemen in de vorming van zo'n nieuwe `plurale' samenleving, vinden de partij-ideologen. Het idee dat zo'n multiculturele samenleving vanzelf groeit in het rijke Westen, dat er een `smeltkroes' ontstaat, is hen een gruwel. Dat is - om de erfvijand van het socialisme te benoemen - een liberale gedachte. ,,Multiculturaliteit is een urgent vraagstuk,' zei Paul Scheffer begin dit jaar in De Balie in Amsterdam, ,,dat in elk cultuurbeleid voorrang zou verdienen. Alle onuitgesproken verwachtingen, als zou integratie een kwestie van tijd zijn, worden weggevaagd. [...] Alle apologeten van `mengen' zijn niet geïnteresseerd in wat zich in de grote steden van Nederland afspeelt.' Scheffer is een tegenstander van `gemakzuchtig multiculturalisme', want daardoor krijgt de autochtoon geen inzicht in de cultuur van de allochtoon, en begrijpt de allochtoon niet wat de fundamentele waarden van de westerse samenleving zijn.

Krijgshaftig

Er moet een nieuwe samenleving gesmeed worden, en het past niet om ontspannen achterover te zitten. Dit verklaart de krijgshaftige toonzetting van de beleidstukken van Van der Ploeg. Er moet een `mentaliteitsverandering' komen bij `cultuurmakers, programmeurs, conservatoren [...] en alle andere mensen op besluitvormende posities in de cultuurwereld' aldus Ruim baan. Zij moeten begrijpen dat de cultuur van morgen multicultureel, divers is, niet beperkt blijft tot Bach of ballet. Het hele bed moet opgeschud: ons hele idee van wat cultuur is, of wat wenselijke kunst is, die overheidssteun verdient, moet anders.

Wat dat betreft staan de nieuwe socialisten voor een veel ambitieuzer project dan de oude socialisten. De oude wilden met hun inspanningen zoals Kunst aan het Volk, de arbeider bij Bach en Beethoven brengen - de Matinee op de Vrije Zaterdag van de Vara in het Amsterdamse Concertgebouw is er nog een uitvloeisel van. De nieuwe socialisten willen niet alleen de allochtonen een beetje bij Bach brengen, maar - omdat Bach in onze cultuur toch al dominant is - vooral de autochtonen bij de culturen van de allochtone Nederlanders brengen. Niet voor niets schrijft Rick van der Ploeg zinnen als `Turkse vedetten zingen voor volle sporthallen, waar de autochtonen de weg niet naartoe weten te vinden'. (Ruim baan). Uit zo'n zin spreekt een gevoel van gemis, verdriet om de beperktheid van de autochtoon die geen oog heeft voor al het moois dat allochtonen te bieden hebben. Bach heeft niet afgedaan, maar moet in een ruimer kader bezien worden: naast Bach is er buikdans die ook kwalitatief hoogstaand kan zijn, en de moeite waard.

Het doel van dit kunstbeleid is een nieuwe culturele mens creëren, een die met open oog, fris en actief tolerant de kunst en de wereld beziet. Van der Ploeg zegt dat natuurlijk niet zo nadrukkelijk, want dat zou te oudbakken socialistisch en paternalistisch klinken. Maar het is zonneklaar dat dat ideaal hem voor ogen staat, en dat zijn kunstbeleid die ideologie dient.

Het zou ook tactisch onverstandig zijn van Van der Ploeg om zoiets van bovenaf op te leggen. Hij benadrukt steeds dat hij discussie wil: zijn uitgangspuntennota is daarom ook als toegankelijke pocket uitgebracht. Hij wil, als lid van de `bestuurlijke elite' voorgaan in het discours over de inzet van het kunstbeleid en de rol van de kunst in de samenleving. Kunstenaars zijn vrij, en hun vrijheid respecteert hij ook - hij wil hun niet voorschrijven wat ze moeten doen.

Toch kraakt Van der Ploeg harde noten over het onmaatschappelijke, in zichzelf gekeerde kunstklimaat dat de afgelopen jaren met steun van de overheid is gegroeid. Hij wil niet langer overheidsgeld te geven aan kunst waar slechts weinigen van genieten. Geld van velen moet besteed worden aan kunst voor velen: hij wil het `beste populair maken en het populaire beter': daaraan overheidsgeld geven vindt hij wel legitiem. En kunst heeft een maatschappelijke taak: `Alleen met een offensieve houding [van de kunstwereld] kan het vervlakkende en verschralende van de massacultuur worden tegengegaan', schrijft hij in Cultuur als confrontatie.

Van der Ploeg verwacht veel van de `confrontatie tussen de verschillende culturen' op podia, musea, etc. In die confrontatie moet het wonder gebeuren: daar moet de nieuwe multiculturele samenleving geboren worden.

Doorgeefluik

Hoe dat cruciale proces van `cultuuruitwisseling' zal verlopen, daarover laat de staatssecretaris zich niet uit. De vraag stellen of kunst dat wel kan, functioneren als doorgeefluik van de multiculturele gedachte, is vloeken in de kerk. Want er kan niet langer gedraald worden. Het is vijf voor twaalf, alleen begrijpt niet iedereen dat. De woordvoerder voor cultuur van de PvdA, Judith Belinfante, heeft er al eens op gewezen dat als er niet snel ingegrepen wordt, in veel grote steden, vanwege het groeiend aantal jongeren met een niet-Nederlandse achtergrond, de traditionele kunstinstellingen ten dode zijn opgeschreven.

Nog nooit heeft een staatssecretaris van cultuur een maatschappelijk probleem - integratie - zo sterk tot inzet van het cultuurbeleid gemaakt. Ook als staatssecretaris voor de media richt Van der Ploeg zich op dat terrein.

Het is opmerkelijk dat hij in zijn cultuurnota's amper iets zegt over de rol van taal. Dat is logisch, want allochtonen verplicht Nederlands laten leren - een middel bij uitstek om culturele uitwisseling in Nederland tot stand te brengen – is al decennia taboe in onze cultuur. Het lijkt een gepasseerd station. Net zo goed als Van der Ploeg in feite laat merken dat hij er niet in gelooft dat binnen afzienbare tijd allochtone jongeren en masse hoger opgeleid zullen worden. Uit onderzoek blijkt namelijk dat hoger opgeleiden, autochtoon of allochtoon, gretige cultuurconsumenten zijn. Werken aan een betere opleiding betekent dus automatisch werken aan een betere cultuurparticipatie. Maar Rick van der Ploeg heeft haast, en hij heeft niet zo'n boodschap aan deze `ijzeren wet' (Ruim baan). Aangezien de meeste pogingen om de opleiding voor grote groepen allochtone jongeren te verbeteren steeds maar falen, kiest Van der Ploeg voor het `diverse cultuuraanbod'. Dat aanbod, hoopt hij, zal voor lager opgeleide allochtonen een zuigende werking hebben. Waar eerder integratiebeleid faalde, verwacht Van der Ploeg veel heil van kunst. Uit naam van de nieuwe verworpenen der aarde, zegt hij daarom, als in het socialistisch strijdlied tegen de kunstwereld: `Sterft, gij oude vormen en gedachten.'

Dr. F. van der Ploeg, Cultuur als confrontatie, pocket van OCW. ISBN 90 34636879, f 25. Telefonisch te bestellen bij SDU, 070 - 3789830

Van der Ploeg kraakt harde noten over het onmaatschappelijke, inzichzelf gekeerde kunstklimaat