EU-visserij slachtoffer eigen succes

De Europese Commissie wil de geldkraan terugdraaien voor landen die geen vooruitgang hebben geboekt met het verkleinen van de vissersvloot. Nederland weigert mee te werken aan inkrimping van de vloot.

De ironie wil dat de visserijsector in de Europese Unie het slachtoffer is geworden van haar eigen succes. Halverwege de jaren tachtig waren zowel aanvoer als prijzen goed. Als gevolg daarvan werden de lidstaten aangemoedigd om flink in de visserij te investeren. De Unie hielp daarin een handje mee door geld beschikbaar te stellen voor de economische versterking van minder ontwikkelde regio's. Het onvermijdelijke gevolg was overbevissing en dus kleinere visbestanden. Dat heeft er weer toe geleid dat – net als in de rest van de wereld – de aanvoer stagneerde en de inkomens van vissers terugliepen.

Die overbevissing heeft een gemeenschappelijk visserijbeleid noodzakelijk gemaakt. Een noodzaak die nog is versterkt door de heviger concurrentie die weer een gevolg is van het beperkte aanbod en de mondialisering van de markt voor visserijproducten.

Brussel biedt inmiddels al een groot aantal jaren financiële steun voor het onvermijdelijke herstructureringsproces dat in de sector gaande is. Die steun komt uit de fondsen die zijn bedoeld voor economische en sociale cohesie, die gericht is op stimulering van de economische ontwikkeling in minder welvarende regio's van de lidstaten.

De Raad van ministers van Visserij is inmiddels begonnen aan het debat over de herstructurering van dat structuurbeleid voor de komende zes jaar in het kader van Agenda 2000. De Europese Commissie heeft daartoe eind vorig jaar voorstellen gepresenteerd die onder andere voorzien in een verdergaande herstructurering van de vloot op regionaal niveau.

De eerste gemeenschappelijke maatregelen die de huidige Europese Unie voor de visserijsector trof dateren van 1970. Het ging daarbij om regels over de toegang tot visgronden, de markt en de structuur. Vissers uit de Gemeenschap zouden gelijkelijk toegang moeten hebben tot de wateren van alle lidstaten. Maar kleine vissersboten moesten dicht bij hun thuishaven kunnen blijven en er werd dus een kuststrook gereserveerd voor plaatselijke vissers. Tegelijk werden maatregelen genomen voor een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten. Daarnaast moest een structuurbeleid zorgen voor de coördinatie van de modernisering van de vissersschepen en de voorzieningen aan de wal. Het heeft tot 1983 geduurd voordat – na jaren van uiterst moeizame onderhandelingen – een eerste Gemeenschappelijk Visserijbeleid tot stand kwam. Het heeft sindsdien steeds meer belang gekregen, omdat in de loop der jaren duidelijk werd dat de wateren sterk overbevist werden.

Dat het gemeenschappelijke visserijbeleid moet worden voortgezet lijdt intussen geen twijfel. Hoewel het debat over een nieuw gemeenschappelijk landbouwbeleid veel meer aandacht trok, zijn ook visserij en aquacultuur economisch van grote betekenis in de Europese Unie. Het aandeel van de visserijsector in het bruto nationaal product van de lidstaten mag dan in het algemeen kleiner zijn dan één procent, in bepaalde regio's is de sector uiterst belangrijk voor de werkgelegenheid. Ook voor de Europese markt als geheel is de visserijsector belangrijk, omdat de vijftien lidstaten met elkaar een van de grootste afzetmarkten in de wereld vormen. Met een totale productie van 8 miljoen ton uit visserij en aquacultuur in 1995 was de EU, na China en Peru in omvang wereldwijd de derde producent.

De behoefte van de Europese consument is echter groter dan de hoeveelheid zeebanket die de Europese vissers in hun net krijgen. In het peiljaar 1995 moest dus nog eens 4,3 miljoen ton worden ingevoerd. Daarnaast werd ook 1,6 miljoen ton aan visproducten naar landen buiten de EU geëxporteerd. Per saldo zorgde de import van producten die uit landen van buiten de EU kwamen voor een handelstekort van meer dan 6,5 miljard euro.

Het nieuwe gemeenschappelijke visserijbeleid heeft betrekking op meer dan 97.000 schepen, waarvan grootte en vangstcapaciteit sterk uiteenlopen, globaal van een Griekse roeiboot, tot een Scheveningse vriestrawler van 120 meter. De totale tonnage van de Europese vloot is de laatste paar jaar behoorlijk teruggelopen, omdat de vloot te groot was voor de beschikbare hoeveelheid vis die landen via quotering op grond van zogeheten TAC's (total allowable catches) door Brussel krijgen toegewezen. Een aantal schepen was daardoor onrendabel geworden.

Nederland heeft dat probleem anders opgelost. Vissers moeten een aantal dagen per maand aan de wal blijven en daar wordt door hun collega's binnen de zogeheten Biesheuvelgroepen scherp op toegezien. Ook al blijven de vissers daarmee voorbeeldig binnen de marges van de toegewezen quota, Brussel vindt dat er meer moet gebeuren en de vloot moet worden verkleind. Voormalig minister Van Aartsen heeft in zijn ambtsperiode hard gepleit voor de erkenning van het Nederlandse systeem, dat intussen wordt gesteund door belangrijke lidstaten als Frankrijk en Italië, maar voor Brussel gaat het niet ver genoeg. Reden waarin Den Haag het conflict heeft voorgelegd aan het Hof in Luxemburg.

Staatssecretaris Faber voelt er niets voor schepen onnodig te vernietigen en wijst er op dat de visserij nog steeds voor een grote verscheidenheid aan werkgelegenheid zorgt, ook al is het aantal vissers in de EU is in de loop van de jaren afgenomen. In de eigenlijke visserij werken binnen de EU ongeveer 260.000 vissers in voltijd en deeltijdbanen. De `spin-off' van hun vangsten zorgt voor een nog groter aantal banen in verwerking, verpakking, vervoer en afzet. Maar daarnaast biedt zij ook werk aan scheepswerven, vistuigfabrieken, scheepshandelaren en onderhoudsbedrijven, de dienstensector dus.

Alle vissersvaartuigen die in de wateren van de Unie vissen en ook alle EU vissersvaartuigen die daarbuiten actief zijn moeten sinds januari 1995 een vergunning hebben. De visserijinspanning kan tot in detail worden gereguleerd via verplichte visdocumenten waarin de toegang tot de vangstgebieden, de visperiode en de specifieke takken van visserij zijn vermeld. De Raad van ministers van Visserij bepaalt welke documenten nodig zijn en aan welke regels de vissers zich moeten houden.