EU kan nog lang niet de eigen boontjes doppen

Het succes heeft vele vaders. Wie kwam op het lumineuze idee om de Finse president Athisaari namens de Europese Unie in de Kosovo-diplomatie te betrekken? Bondskanselier Schröder, schrijft Der Spiegel. Minister Albright, meent de Amerikaanse pers, al was het maar om VN-secretaris-generaal Kofi Annan op afstand te houden. Terwijl in Le Monde president Chirac wordt gehuldigd als de redder van Europa. Niet de Brit Blair hield sinds vorig jaar herfst de Amerikaan Clinton bij de les, maar de Fransman Chirac. Vergeten is de tweespalt tussen de Grünen en binnen de SPD, vergeten is de Franse aarzeling om zonder VN-mandaat tegen Joegoslavië ten strijde te trekken.

Politici hebben de eigen defensie opnieuw ontdekt

Ahtisaari's onderkoelde verslag aan de Europese top in Keulen eind vorige week van zijn `matter-of-fact'-overleg met Miloševic, waarin hij een voorstel gezamenlijk te dineren afsloeg en de gastheer maande zijn adviseurs te raadplegen, bracht hem applaus en misschien de Nobelprijs voor de vrede. Was de boers aandoende nuchterheid van deze Fin de sleutel tot de boeman van Belgrado gebleken?

Inzicht in wat precies is gepasseerd in het driehoeksoverleg tussen de bemiddelaars Talbott, Tsjernomyrdin en Ahtisaari en wat via de befaamde en door beroepsdiplomaten vaak verafschuwde backchannels de afgelopen maanden heen en weer is geschoven, zal moeten wachten op de memoires, biografieën en documenten waarvan de publicatie nu nog in het verschiet ligt. De uiteenlopende beschrijvingen in de internationale pers van de verdeling van de verantwoordelijkheid over de verschillende spelers vormen alvast een intrigerend voorgerecht.

Intussen zijn een paar zaken voor iedereen zichtbaar. Het Kremlin is ingegaan op de toenaderingspogingen van het Westen nadat in de eerste weken na het begin van de luchtoorlog door de NAVO de onderlinge betrekkingen tot onder het nulpunt waren gedaald. De Russen hadden al grote moeite met het `dictaat' van Rambouillet dat onder meer voorzag in een niet door hen aanvaarde en derhalve niet gepubliceerde Annex B. Daarin werd de onschendbaarheid voor de Joegoslavische wet voorzien van NAVO-personeel verblijvend op Joegoslavisch grondgebied ook buiten Kosovo. In de Verklaring van de G8 en de resolutie van de Veiligheidsraad is van een dergelijke voorwaarde niets terug te vinden.

In Europa heeft het verloop van de luchtoperatie voor een wel heel merkwaardig effect gezorgd. Plotseling hebben politici de eigen defensie herontdekt. De gedemonstreerde onmacht van de Europese landen, wier bijdrage aan de NAVO-operaties-in-de-lucht op de vingers van een paar handen was te tellen, heeft tot bezinning geleid. De verbale dapperheid, door een enkele Europese oorlogsleider aan de dag gelegd, scheen soms bedoeld om de werkelijke stand van zaken te overschreeuwen. Ten slotte waren het hoofdzakelijk Amerikaanse piloten die risico's liepen, ook al zijn die risico's, achteraf bekeken, knap meegevallen. Voor de mannen boven het afweervuur van de Serviërs is dat in de maanden die Allied Force vergde vermoedelijk niet altijd even duidelijk geweest.

Toegegeven moet worden dat de doorbraak er al eerder was, in het Franse St. Malo, waar premier Blair eind vorig jaar het Britse verzet tegen een fusie van de West-Europese Unie en de Europese Unie opgaf. Dat bood althans de mogelijkheid de fundamenten te leggen voor een meer geïntegreerde Europese defensie in een vorm waarmee de Amerikanen konden leven en die voor de NAVO dus geen bedreiging inhield. Op de top in Keulen vorige week is voor een concept gekozen waarin Europese interventies geheel los van de NAVO worden voorzien. Weliswaar wordt er bij gezegd dat het om laagdrempelige crises zal gaan, maar die voorstelling van zaken gaat voorbij aan de kans op escalatie in ieder denkbaar conflict.

De les van Kosovo mag zijn dat hernieuwde Europese belangstelling voor de instrumenten waarmee de eigen veiligheid moet worden gewaarborgd, op zijn plaats is. En ook de opbouw van een Europese wapenindustrie door samenwerking en fusie tussen bestaande bedrijven kan gerechtvaardigd zijn, al was het maar om het nationale sentiment te overwinnen dat hier totdusver iedere voortgang heeft tegengehouden.

Dat alles neemt niet weg dat de afhankelijkheid van de militaire en politieke macht van de Verenigde Staten voor afzienbare tijd een gegeven is. In 1995 heeft Amerika de Europese legers in Bosnië uit de nesten gehaald. Die legers bevonden zich daar op grond van een VN-mandaat – hetgeen geen waarborg bleek te zijn tegen aanvallen van de verschillende partijen in de burgeroorlog op de blauwhelmen zelf. Het Nederlandse contingent in Srebrenica was beurtelings het doelwit van moslims en Serviërs en kon/mocht zich daartegen niet effectief verweren. Hetzelfde gold voor andere onderdelen van UNPROFOR.

De les van Kosovo zou daarom de les van Bosnië niet moeten verdringen. Die les hield in dat troepen die aan een interventie beginnen, in staat moeten zijn zich zelfstandig ook weer aan het conflict te onttrekken mocht hun oorspronkelijke opdracht niet uitvoerbaar zijn. In Bosnië was een geordende terugtocht niet langer mogelijk en was Amerikaans ingrijpen noodzakelijk geworden. In Kosovo lijkt de ophanden zijnde interventie dankzij de voorafgaande bombardementen althans militair tot een bevredigend einde te kunnen worden gebracht. Maar die ervaring vormt geen enkele aanleiding voor een Europese overtuiging dat men van nu af aan wel de eigen boontjes kan doppen.

De gang van zaken in Kosovo en de nasleep laten nog iets anders zien. De grote Europese landen bepalen het beleid, zonodig samen met andere grote mogendheden in Contactgroep, G8 of Veiligheidsraad. De manier waarop het concept van een Europees Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheids Beleid op een Europese top is doorgedrukt, zegt het nodige over de positie van de kleinere lidstaten in de Europese Unie. Nederland mag dan tijdelijk lid van de VN-Veiligheidsraad zijn, zijn inbreng daar bij de totstandkoming van de Kosovo-resolutie bleef tot een minimum beperkt. Tenslotte is die resolutie voorbereid in een G8 waar Nederland geen entree heeft. De kleinen in de Europese Unie hebben een zaak te verdedigen wil het voorziene buitenlandse beleid van de Europese Unie niet een exclusieve aangelegenheid van Berlijn, Londen en Parijs worden.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.