Erudiet gestotter en luchtige allusies

Woensdagavond 16 juni wordt tijdens Poetry International de C.Buddingh'-prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie uitgereikt. Twee van de genomineerde bundels zijn eerder besproken in deze krant. Over het humoristische en rauw lyrische `Van de vierkante man' van Ilja Leonard Pfeijffer schreef Maarten Doorman: `Mij treft deze dichter niet vies van enig engagement (...) niet wars van een mondje Grieks en toch zonder valse eruditie, jongensachtig zonder echt kinderachtig te worden.' Arie van den Berg was nog enthousiaster over de zinnebeeldige gedichten in `Gillette' van Paul Marijnis: `Het is gerijpte poëzie (...) wat gezegd moest worden lijkt voorgoed geformuleerd.' Op deze pagina besprekingen van de twee overige genomineerde bundels.

Net als in 1998 is de helft van de voor de C.Buddingh'-prijs genomineerde dichters dit jaar Vlaams. Dat suggereert een bewust eerlijke verdeling, maar van zo'n opzet is denk ik geen sprake. De jury had weinig keus, want het was een mager debutenjaar; getalsmatig waren de Vlamingen zelfs in het voordeel. Ook het debuut van Bart Plouvier had tot de selectie kunnen behoren.

Dat de jury in plaats van Zaailingen van Plouvier voor De papegaaienziekte van Demets heeft gekozen verbaast me. Plouvier schreef zeker niet het sterkste poëziedebuut van 1998, maar Demets toont zich als dichter weinig meer dan een postmodern orakel, dat met heel veel woorden niets te vertellen heeft. Wie niettemin serieuze pogingen doet om de boodschap van zijn poëzie te ontcijferen, wordt in de `Verantwoording' aan het eind van de bundel met nieuwe cryptogrammen het riet ingestuurd. Gedicht VI uit de cyclus `Van onze man' verwijst volgens deze aantekeningen `naar een wel erg lichamelijk experiment dat Celsius met zichzelf uitvoerde'. Zo'n toegedekte formulering reikt over het hoofd van de lezer de leegte in.

Demets legitimeert zijn bundel met een al even schimmige boodschap. `Er is geen lichaam,' stelt hij, `buiten het beeld dat wij er ons van vormen, met alle smetvrees en angst voor het fysieke die daarbij horen. Iemand moet daar toch over berichten, het gevaar van de papegaaienziekte trotserend, een beetje zoals Kuifje in Afrika.' De ondertoon lijkt ironisch, maar ik vrees dat het allemaal bloedserieus is. Want wat de flaptekst omschrijft als een `dartel gewemel van woorden' komt letterlijk op de lezer af als:

Pluviergelijk roep je mij tot het broed.

Aangekermd,

aangerold. Nadert de zich verblijdende

lemmingenschool, de schaduw

zich lijdzaam dooft.

Zich in counterfeit vertakt: beer, speen,

tol. Als dit geen

kamer was in een werkmansstraat,

bij de terrasjes afgepaald. Echo waant

jou weg,

testbeeld vergeetput in de bijrol

uitgespeeld.

Zo zingt de taal zich van de dichter los. Maar meer nog van de lezer. Als deze bundel de Buddingh'-prijs wint, eet ik mijn schoenen op.

De Nagelaten sonnetten van Jan Lauwereyns maken, hoop ik, meer kans op bekroning. Bij eerste lezing overheerst de anekdotiek, maar wie herleest ontdekt hoe rijk het beeldenarsenaal van deze dichter is, en hoe speels hij zijn herinneringen aan poëtische herziening onderwerpt. Huiselijke taferelen uit de kindertijd krijgen bij Lauwereyns een kosmisch perspectief, maar de toon blijft luchtig, zoals in `Vroeg meesterwerk'.

De oude nicht zette een zure knook opzij

en mij op de rechterknie. In het foute

kunstwerk aten twee gele paarden zwarte

peren op. Ik leerde op nummer schilderen

met vroeg er ingepompte afkeer voor

eenvoud.

Toen verdwenen de overblijfselen uit de

ijsjestijd weer in de map. Over mijn

voorhoofd

schoof een rimpel die van diepte sprak

voor hij in mijn binnenzak sprong.

Een `zure' knook, het `foute' kunstwerk, de `ijsjestijd'. Het idioom van Lauwereyns is verfrissend eigenzinnig. Vooral zijn toepassing van bijvoeglijke naamwoorden zet de beelden in zijn poëzie herhaaldelijk op scherp. Dat die beelden vaak aan de fotografie ontleend zijn is geen toeval. Het titelgedicht van de bundel gaat over Charles Cros, een Franse poète maudit die leefde van 1842 tot 1888 en die, behalve als dichter en auteur van komische monologen, bekend stond als uitvinder van de grammofoon en kleurenfotografie. Lauwereyns zelf schreef bovendien een proefschrift over doelgerichte visuele waarneming, waarbij de fotografie zeker een rol heeft gespeeld.

Cros schreef sonnetten, en twee daarvan (`Déserteuses' en `Dans la clarière') zijn door Jan Lauwereyns bewerkt en in zijn bundel opgenomen. Wat het eerste opvalt aan die bewerkingen is dat het geen sonnetten meer zijn. Ook Lauwereyns' eigen gedichten zijn, de volta's in de tweede strofe ten spijt, nooit echte klinkdichten. Hij had ze wel willen schrijven, zegt de tekst op het omslag, `maar de gedichten zelf hebben het nagelaten ook echte sonnetten te worden'.

Dit wat flauw geformuleerde brevet van onvermogen miskent de eigen kwaliteit van Nagelaten sonnetten. Waar Paul Demets zwaarwichtig stotterend over zijn eruditie struikelt, strooit Lauwereyns terloops met luchtige allusies op cultuurgeschiedenis en letterkunde. In de reeks `Badkamergedichten' worden witte tegels als `glazuren Malevichjes' beschreven. `De smalle weg naar het binnenste' zinspeelt op het hoogtepunt van de haiku-canon, en voor de titel van de slotreeks, `Wij komen ter wereld', ging Lauwereyns te kijk bij Jan Hanlo. Maar bij al deze en andere ontleningen bleef hij vooral zichzelf: een scherp observateur, die lichtvoetig formuleert wat hij ziet.

Waar Lauwereyns zelf onderwerp is, kan de humor schrijnend worden. In het dagelijkse leven werkt de dichter als wetenschapper aan de Juntendo Universiteit in Tokyo.

In schijnbaar onaangedane bewoordingen vertelt hij daarover in `Lichaam en ziel':

Je volgt de rode lijn dertien haltes lang

tot aan Ochanomizu - Theewater. Je labo

ligt daar op dit plannetje juist

merkbaar boven.

Om maar van iets te leven, doe je een

witte kimono aan tegen het spatten. Je

duwt

een roestvrije naald in de zachtjes

ademende

bloemkool van een wakker aapje. Dit in

de wetenschap van wat en tot

diep in het zieltje.

`Zachtjes ademende bloemkool.' Het idioom blijft luchthartig, maar eventjes springt `de rimpel die van diepte sprak' uit de binnenzak. Dat Paul Marijnis de Buddingh'-prijs voor Gillette verdient heb ik eerder al duidelijk gemaakt. Van zijn concurrenten, Pfeijffer, Demets en Lauwereyns, lijkt er maar een gevaarlijk: Jan Lauwereyns.

Paul Demets:

De papegaaienziekte. Meulenhoff/Kritak, 62 blz. ƒ29,90

Jan Lauwereyns: Nagelaten sonnetten. Manteau, 56 blz. ƒ36,–