Een absurde held

Elk werk van Teun Hocks toont de kunstenaar, als een stripfiguur in een zelf geknutselde omgeving. De eenvoud van zijn visuele grappen is bedrieglijk.

Ambitieuze kunstenaars zien soms in de kleinheid van Nederland een reden om het zo gauw mogelijk te ontvluchten. Toch bewijst de geschiedenis steeds weer dat uitgerekend kunstenaars die dicht bij hun Hollandse huis blijven tot grote daden in staat zijn. Juist door consequent het vlakke laagland af te stropen, uit eigen bron te putten en hun moeders taal te spreken, bereiken zij de hoogste toppen.

In de zeventiende eeuw was het gebruikelijk dat een schilder die de ware kunst onder de knie wilde krijgen, een tijdje naar Italië ging. Maar mannen als Rembrandt, Frans Hals en Vermeer piekerden er niet over, zij hebben nooit een stap gezet in welk buitenland dan ook. Ze begrepen dat de wereldgeest schuilgaat in iedere zandkorrel, en dat je die geest niet hoeft te gaan zoeken in de verre hoeken waaruit toevallig de wind waait, maar net zo goed omhoog kunt stampen uit de diepte van je eigen modder.

Gelukkig zijn er nog steeds kunstenaars die dat begrijpen, en Teun Hocks (1947) is er een van. Hij is op het ogenblik uitgebreid te bewonderen in Breda en Groningen. In het zuiden is een overzichtstentoonstelling te zien, in het noorden een selectie uit zijn recente werken. Je hoeft maar twee minuten rond te lopen op deze exposities en je zit er al middenin: in het oer-Hollandse, het hyperrealistische, het absurde, de opgeruimde treurnis, de benauwende inhoud die door de vorm waarin hij is gegoten draaglijk en zelfs aanstekelijk wordt gemaakt. Zelden zie je de mensen in een museum zo gniffelen. Ze gniffelen op dezelfde manier als wanneer ze de kleine geschilderde anekdotes bestuderen op de allegorische kunstwerken van Jan Steen of Pieter Bruegel.

In Groningen hangt een werk uit 1998 dat herinneringen oproept aan Bruegels Luilekkerland (1567). Op het schilderij van de oude meester liggen drie mannen voor pampus in de rondte om een boom. De compositie is wel geïnterpreteerd als een wiel waarvan de mannen de spaken vormen. Inderdaad zou het heel goed het wiel kunnen zijn van een uit de bocht gevlogen kar. Na het ongeluk ligt het daar nog wat uit te draaien.

Ook bij Hocks een boom en een wiel, maar dan een kruiwagenwiel. We zien de kunstenaar zelf, al even uitgevloerd als Bruegels dronkaards. Hij ligt voorover op een kruiwagen waarmee hij tegen de boom is gereden. Dat is niet kortgeleden gebeurd want om zijn benen staan al spinnenwebben. Zijn hoofd rust op een kussen dat bovenop de kruiwagen ligt, en onder zijn pak draagt hij een pyjama: tekens dat deze knock-out al net zo gewenst was als die van de oude drinkebroers.

Zelfmoord met kruiwagen zou een mooie titel zijn, maar Hocks houdt niet van titels. Een titel is een interpretatie en hij wil ook andere mogelijkheden openhouden. Er is nog veel meer te zien.

Het kabouterachtige Hollandse landschap op de achtergrond bijvoorbeeld, en het schilderij van een boomstronk met zaag dat als een verkeersbord tegen de boom hangt. Naast de boom een plas waarin, als eendjes, drie ouderwetse wekkers dobberen met koperen bellen erop. Zoals je bij Bruegel een half uitgelepeld ei ziet wegrennen op een paar kuikenspoten, zo zie je bij Hocks over het langslopende pad een slak voorbijkruipen.

Constantheid

Het is een tamelijk complex werk, de meeste andere zijn eenduidiger. Toch is de kruiwagenslaper een Hocks ten voeten uit, een schakel in een oeuvre dat een opvallende constantheid vertoont. Sinds hij een jaar of vijftien geleden als kunstenaar zijn draai vond, is Hocks op vrijwel al zijn kunstwerken zichtbaar, altijd als het enige personage, hoewel soms in meerdere gedaanten. De thematiek, de opbouw en de techniek (olieverf op foto) zijn in grote lijnen hetzelfde gebleven. Daardoor kunnen werken die in tijd tamelijk ver uit elkaar liggen, toch klinkend rijmen en de draad van elkaars verhaal weer oppakken. De holbewoner die uit zijn eigen baard wol zit te spinnen (1987) vindt zijn natuurlijke vervolg in de huisman die van de wol een wereldbol heeft gemaakt waarvan hij nu een sok zit te breien (1995).

Hocks' fotoschilderijen flirten met de cartoon, de strip en de slapstick. Regelmatig varieert hij op het thema van de man die de tak afzaagt waarop hij zelf zit, of op het naïeve type dat niet verder kijkt dan zijn neus lang is maar nergens tegenop ziet. Wanneer hij op een van zijn werken als circusartiest poseert die in plaats van een brandende ronde hoepel een brandende vierkante schilderijlijst omhooghoudt (1993), doet hij denken aan de tekenaar Glen Baxter, die in zijn serie Great failures of our time de eerste hoela hoep als een vierkante schilderijlijst voorstelt. En wanneer hij met een stofzuiger in een cirkel loopt om de vieze voetstappen op te zuigen die zijn schoenen vervolgens weer achterlaten (1995), lijkt hij sprekend op Jansen en Jansens die rondjes rijden in de woestijn, omdat ze het spoor van hun eigen jeep volgen.

In kunstkringen werd, juist om die cartooneske kant van hem, een tijdje met licht dédain over Hocks gesproken. Hij was toch iets teveel een kalenderkunstenaar, een maker van grappen die de aandacht slechts vasthielden tot je ze had gesnapt. Blijkbaar mocht een beeldend kunstenaar niet wat bij filmers als Alex van Warmerdam en televisiemakers als Arjan Ederveen of Van Kooten en De Bie juist prachtig werd gevonden. Inmiddels is de kritiek alweer goeddeels verstomd. Maar het kan geen kwaad dat de tekst in het overzichtsboek Het late uur, dat deze week ter gelegenheid van de Bredase tentoonstelling is verschenen, geschreven werd door de gerenommeerde New Yorkse criticus Donald Kuspit. Want de geschiedenis heeft niet alleen bewezen dat Nederlandse kunstenaars door thuis te blijven vaak tot grote daden komen, ze heeft ook geleerd dat hun werk in eigen land pas echt wordt geaccepteerd als gewichtige buitenlanders hebben verklaard dat het goed is.

Hocks' kracht ligt onder meer in zijn openlijke dilettantisme. Zoals in Breda door een paar werkfoto's wordt geïllustreerd is hij een echte liefhebber, die al zijn werkstukken eigenhandig in elkaar knutselt. Al zijn toneeltjes bouwt hij zelf op, met talloze rekwisieten, waterpartijen en weglopende wegen die naadloos moeten overgaan in het weidse landschap op het achterdoek. Het is bepaald jongensachtig, maar daarom nog niet amateuristisch. Juist perfectionistisch, maar allesbehalve glad.

Dat geknutsel, het alles zelf doen, wortelt in de jaren vijftig, een tijd waarin je nog dingen repareerde in plaats van ze weg te gooien, of zelf maakte omdat je ze niet kon kopen. Dat meegemaakt te hebben lijkt onbeduidend, maar is onuitwisbaar. Bij Hocks correspondeert het geknutsel feilloos met de esthetiek van zijn kunstwerken, die ook het stempel draagt van de jaren vijftig. Zijn landschappen hebben opmerkelijk veel weg van de aquarellen die je destijds als plaatjes kon sparen voor een serie Verkade-albums, die de ferme titel Zwerftochten door ons land droeg. Er kwam een tijdloze wereld uit die plaatjes naar voren, overzichtelijk, proper en vredig.

Orkater

In deze voorkeur voor de jaren vijftig staat Hocks niet alleen. Hij deelt hem met Van Kooten en De Bie bijvoorbeeld, die van hun heimwee naar die naoorlogse jaren nooit een geheim hebben gemaakt. En knutselaars aan de rekwisieten van hun programma's waren zij ook, terwijl ze hun scènes bij voorkeur lieten spelen in overzichtelijke, oer-Hollandse dorpen als Juinen en Terweksel.

Voor Alex van Warmerdam geldt hetzelfde. Ook hij is zo'n doe-het-zelver die voor zijn films het liefst het Holland van vier decennia terug zou nabouwen. De Noorderlingen (1991) speelt in het jaar 1960. En Kleine Teun (1998) is een hommage aan grote Teun, Teun Hocks.

Harde bewijzen voor de laatste bewering zijn er overigens niet, hooguit het feit dat Orkater, de muziektheatergroep waar Van Warmerdams artistieke wortels liggen, meer dan eens een kunstwerk van Hocks voor haar affiches heeft gebruikt. Maar wie beide Teunen kent heeft geen harde bewijzen nodig, die is er allang van overtuigd dat zij verwanten zijn in de eerste graad. Kijk maar: in een bocht van een landweg, die is gemarkeerd met strobalen, zit een eenzame maar opgewekte man die op zijn revers een groot rood-wit-blauw insigne draagt. Op de achtergrond een kaal Hollands landschap, een reep heiig grijs boven een reep heiig groen. De man, op een klapstoeltje met een thermoskan ernaast, eet een boterham terwijl hij verwachtingsvol de weg aftuurt. Er nadert een peloton wielrenners waarvan de aanvoerder een rood-wit-blauwe trui aanheeft. Dan klimt de stuurse eigenaar van het huis dat om de bocht ligt een ladder op om een rood-wit-blauwe vlag uit te steken, compleet met oranje wimpel.

Het is een scène uit Kleine Teun, maar het zou letterlijk een kunstwerk van Teun Hocks kunnen zijn. De twee mannen, de opgeruimde met zijn meegebrachte koffie en boterhammen, en de knorrige met zijn vlag en wimpel, zouden allebei gespeeld worden door de kunstenaar. Het contrast tussen beiden zou vergelijkbaar zijn met dat tussen de twee Hocksen op een werk uit 1989. De een ligt daar ziek in een bed dat aan het voeteneind een tafel blijkt te zijn, waaraan de ander smakelijk zit te eten.

In zo'n hypothetisch kunstwerk zouden wij zien wat ons nu in een minuut Kleine Teun voorgeschoteld wordt: twee mannen op Koninginnedag, die voor de eerste wordt samengebald in een flits van voorbijsjezende wielrenners en voor de tweede in de onuitroeibare plicht die hij voelt om op zo'n dag de vlag uit te hangen. Het is te absurd om er niet om te lachen, en tegelijk zo hyperrealistisch dat je met dat lachen toch steeds even wacht.

Die ervaring van de uitgestelde lach doet zich in gelijke mate voor bij Van Warmerdam en Hocks, en om dezelfde redenen. Hun werk wekt de lach, maar zal er nooit in oplossen. Daarvoor raakt het te diep aan de menselijke existentie.

Bij Hocks wordt dat nog versterkt doordat hij op zijn kunstwerken altijd alleen is. En een mens alleen is de mens, gewikkeld in een gevecht met zichzelf dat te winnen noch te ontvluchten valt. Wie dat laatste toch probeert komt hoe dan ook bedrogen uit, bijvoorbeeld omdat hij fysiek wel wegkomt maar psychisch gevangen blijft. Hocks beeldt zoiets uit door tijdens een voettocht over een weg naar de horizon stiekem onder zijn jas uit te kruipen, terwijl die jas, met aan iedere mouw een koffer, onverstoorbaar door blijft stappen (1988). Zijn hele hebben en houden wil weg, maar hijzelf durft niet.

Kabouterlandschappen

We zouden Teun Hocks, met de woorden van Albert Camus, een absurde held kunnen noemen. Camus reserveerde die kwalificatie voor Sisyfus, de mythologische figuur aan wie ook Hocks aandacht heeft besteed. Op een werk uit 1985 zien we hoe hij met veel moeite, maar als altijd netjes in het pak, een van een berg rollend rotsblok probeert tegen te houden. Maar de kolossale steen is zo duidelijk van papier dat de Sisyfusarbeid van de kunstenaar op een heel ander vlak komt te liggen. Niet in het leveren van inspanning gaat zijn energie zitten, maar in het veinzen ervan.

Hij bedriegt ons openlijk met zijn papieren rotsblokken en kabouterlandschappen, maar hij doet het op zo'n manier dat wij hem blijven geloven. Hoe meer hij veinst hoe absurder hij wordt, en hoe meer wij hem geloven hoe heroïscher.

Maar als hij `James Ensor' antwoordt op onze vraag welke kunstenaar zijn grootste voorbeeld is geweest, dan zijn wij verbaasd. Weliswaar heeft hij in 1994 een werk gemaakt met een feestartikelenwinkel zoals Ensors moeder er ook een gehad moet hebben, maar verder lijkt de Belgische schilder toch ver te zoeken in Hocks werk. Daar staat tegenover dat hij de invloed van René Magritte bagatelliseert, terwijl die nou juist zijn sporen duidelijk lijkt te hebben nagelaten.

Het komt wel vaker voor dat kunstenaars de meeste bewondering kunnen opbrengen voor collega's die iets totaal anders doen. Vakgenoten waar ze dichtbij staan zijn dikwijls storend. Als ze minder goed zijn, wat meestal het geval is, worden ze meteen vervelend gevonden, en als ze beter zijn al gauw als bedreigend ervaren. Maar het is ook waar dat de kunstgeschiedenis soms zomaar bij een kunstenaar kan binnenvallen, zonder dat hij het genoegen heeft het onverwachte bezoek te kennen of te hebben uitgenodigd.

Zo is het Teun Hocks in 1989 een keer overkomen dat hij alleen maar hard op tafel sloeg, en dat die klap het fruit zodanig uit zijn schaal deed opspringen, dat er zich boven de tafel spontaan een Arcimboldo vormde: een menselijk gezicht van fruit, zoals alleen de 16de-eeuwse Italiaanse maniërist ze kon schilderen. `Nu is het genoeg', riep Hocks, en hij besloot dan ook om het werk dat hij van deze scène maakte, bij wijze van uitzondering een titel mee te geven: Basta.

Morgen, 12 juni, opent een tentoonstelling van recent werk van Teun Hocks in het Groninger Museum. Tot en met 22 augustus.

De overzichtstentoonstelling onder de titel `Het late uur' is tot en met 18 juli te zien in De Beyerd in Breda.

Bij uitgeverij De Geus is het boek `Het late uur' verschenen met een tekst van Donald Kuspit.