Drekgoden

Verbazingwekkend van hoeveel rare onderwerpen de cultuurgeschiedenis is beschreven: de pijp, regenmakerij, de pruik, het verlangen naar zee, de speculaasplank, het weer, noem ze maar op, al ontbreekt een historische beschrijving van een minder buitenissig onderwerp - de tent. Minder vreemd is het ontbreken van een cultuurgeschiedenis van de menselijke ontlasting, de scatologie, een boek waarin alle alledaagse en onalledaagse aspecten van het onderwerp in heden en verleden worden beschreven. Aanzetten tot sociaal-culturele scatologie zijn er wel. Zo wordt een deelonderwerp beschreven in Wallace Reyburns Flushed With Pride (1989), over de uitvinding van de stortbak. Taalkundige kanten komen uitputtend aan de orde in J.J. de Witte's De beteekeniswereld van het lichaam tot en met het Carabische K-r, wat zowel staat voor aars als voor bederf, stank of stinkklier. En Alain Corbin ontkwam in zijn meesterlijke geschiedenis van de reuk Pestdamp en bloemengeur (1982), niet aan de wereld der excrementen, maar literaire of mythologische aspecten blijven bij hem buiten zicht.

Ralph A. Lewin voorziet in die zin in een leemte met zijn Merde. Excursions in Scientific, Cultural and Sociohistorial Coprology, een beperkte studie die laat zien hoe breed het onderwerp is. Hij behandelt coprolieten (versteende uitwerpselen), excrementen van mens en dier aan de hand van vorm, maat en gewicht, defaecatiehoudingen, afvoer, faecaliën als brandstof of bouwmateriaal, mestkevers, gezondheid, landbouw et cetera. De nadruk ligt op de dierenwereld. Lewin is bioloog en vertelt veel over kwallen, neushoorns, plankton en rupsen, waarvan sommige soorten hun uitwerpselen met een zwaai van het achterlijf uit hun directe omgeving weten te verwijderen. Lewin baseert zich daarbij op wetenschappelijke artikelen uit periodieken als het Japanse Agricultural Quarterly, Biorheology en Environmental Health, of antro-scatologische werken als Sabbath en Halls End Product: The First Taboo (1977) en Bourke's Scatalogic Rites of All Nations (1891), waaruit hij naar mijn gevoel veel overschreef.

Met boeken over dit onderwerp moet je uitkijken. Het beroemdste werkje over het laten van winden, de biografie van de petomaan Joseph Pujol, bleek een mystificatie uit de kring van Alfred Jarry, die in zijn toneelstuk Ubu Roi al eerder blijk gaf van vergelijkbare belangstelling. Ook de bronnen die Lewin in Merde citeert wekten mijn wantrouwen. Een steekproef op Internet (www.netseek.com en www.bibliofind.com) leerde echter dat ze wel degelijk bestaan, tot en met Taro Gomis' zeer onbetrouwbaar ogende Everyone Poops (1993) en Desowitz' New Guinea Tapeworms and Jewish Grandmothers. Tales of Parasites (1981). Een tweede valkuil voor de scatologen zelf is de meligheid. Genoemde stortbakhistoricus viel er in, hetzelfde overkwam Ralph Lewin. Hoe peilloos diep Lewins val hier en daar is, laat alleen al de opdracht aan zijn ouders zien: `Voor mijn moeder die mijn luiers verwisselde en voor mijn vader die soms hielp.'

Lewin biedt echter meer dan meligheid en zaken als de grootte van methaanproduktie in koeiendarmen of het feit dat lama's op hun beurt wachten bij het beperkte rivierdeel waar ze hun behoefte doen. Zijn mededeling dat Luther aan constipatie leed bij voorbeeld verklaart de wonderlijke anekdote dat deze zijn belangrijkste geloofsbeginsel uitgerekend op het toilet formuleerde, hij citeert naar behoren Shakespeare's Timon of Athens (`The earth feeds and breeds by a composture stolen from general excrement'), noemt inderdaad Swifts academiestudent uit Gullivers Travels die menselijke uitwerpselen tracht terug te brengen tot het oorspronkelijke voedsel, komt met Gods opdracht een brood te bakken op het vuur van gedroogde `drek van 's menschen afgang' uit het Bijbelboek Ezechiël (4:12), en noemt fysicaliteiten uit Jesaja of Gargantua en Pantagruel van Rabelais. Er is alleen zoveel méér waaraan hij voorbij gaat. In die zin heeft de ondertitel van Merde gelijk: het zijn excursies, meer niet. Jammer. Veel interessanter dan Ezechiëls bakkerspassage zijn namelijk de herhaalde aanvallen van de profeet tegen de aanbeden `drekgoden' - wat waren dat dan? Aan de lijvige scatologische verzameling van de Florentijnse humanist Poggio Braccolini gaat Lewin even stilzwijgend voorbij als aan de talrijke verhalen in Beowulf of Tijl Uylenspiegel in dit verband. En Montaigne's scatologische uitgedrukte bescheidenheid vond ik in Merde evenmin terug: `Ik heb eens een edelman gekend, wiens levensverhaal uitsluitend gebaseerd was op de werking van zijn darmen. Bij hem thuis zag men een rij ondersteken uitgestald van zes tot acht dagen. Die bestudeerde hij en daarover praatte hij. Elk ander onderwerp vond hij onverkwikkelijk. In mijn Essays vindt men de uitwerpselen van een brein, soms hard, soms slap, maar altijd slecht verteerd.' Kennelijk kon een gerespecteerd humanist zich destijds dergelijke metaforen veroorloven, daar willen we meer van weten.

Op het excursiekarakter van Merde mogen we Ralph A. Lewin niet afrekenen, wel op zijn zouteloze grappen. En dat hij met nadruk in plaats van `scatologie' het woord `coprologie' hanteert: ik zie het nut niet zo, maar ach. Met de vaak bizarre gegevens uit het dierenrijk kan de toekomstige cultuurhistoricus der scatologie aan de andere kant zijn voordeel doen. Maar het grootste belang van Merde is toch dat Lewin opnieuw aandacht oproept voor een onderwerp waar alle mogelijke kunsthistorische, literaire, mythologische, sociale, erotische, biologische aspecten aan zitten. Ondanks verzet van reuk en moraal, heeft dit onderwerp de mens sinds zijn bestaan beziggehouden. Er wordt altijd veel over gepraat en gelachen, maar zelfs in de onderkast zoekt men vergeefs naar werken waarin er met de ernst van de historicus over wordt geschreven.

Ralph A. Lewin Merde: Excursions in Scientific, Cultural and Sociohistorical Coprology.

Random House, 187 blz. ƒ50,-