Door de hond heen

PRAAG. De ambassadeur had een hond. Een grote hond. Er was ook een tafelschikking en vooraf staande borrelen. Daar was die hond bij aanwezig, bij dat staande borrelen, maar toen het op de tafelschikking aankwam verdween de hond geruisloos. Grote Oost-Europese obers bedienden ons. Zij droegen witte handschoenen die in de loop der tijd grijs waren geworden. Bedienen is overdreven, zij hielden schalen voor je neus en dan mocht je daar zelf van nemen.

Als er onverwacht een grijze klauw verscheen wist je dat daar een ober aan vastzat. Worteltjes, lam, aardappeltjes, vooral het toetje was goed gelukt.

Dit alles ter ere van de staatssecretaris van cultuur. Die was er ook. Demissionair, maar nog altijd staatssecretaris, zei hij zelf.

Zou je van schrijvers ook kunnen zeggen dat ze demissionair zijn? Het wemelt van demissionaire schrijvers, maar het valt niemand op.

We hadden al met elkaar kennis gemaakt op het urinoir, de staatssecretaris en ik. Ik mocht Rick zeggen en hij Arnon. De ambassadeur daarentegen noemde mij meneer Grunberg, zelf was ik even vergeten hoe de gastheer heette, ik wist alleen dat hij een hond had.

Ik wilde de hele tijd vragen, hoe komt u nou aan die hond, maar het gesprek ging over kunst, zeventiende eeuwse kunst als ik me goed herinner, en dan is het niet zo gepast om over honden te beginnen.

Na afloop zaten we op de bank van de ambassadeur met borreltjes in de hand. Er was veel overtollige schaamte die gesloopt moest worden. Remco Campert zat naast mij en ik vroeg hem of hij nu ook over dit diner zou schrijven, over de tafelschikking en vooral over de hond. Er zat een verhaal in die hond.

Maar Campert aarzelde, hij zei dat hij het wel zou kunnen maar nee toch maar niet, hij was hier tenslotte toch te gast.

Een standpunt dat ik respecteer, maar niet deel. Ik vind dat ik overal te gast ben, ook in mijn eigen huis, dus als ik niet meer schrijven mag over mensen bij wie ik te gast ben, dan houdt het op.

Er zat ook een verhaal in de ambassadeur, maar wie aan het verhaal van de ambassadeur wilde komen moest door de hond heen, zoveel was duidelijk. En het zag er naar uit dat ik het smerige karwei weer zou moeten opknappen.

Cees Nooteboom, ook aanwezig, had mij al eerder laten weten niet over dit soort onbelangrijke zaken te schrijven en van Margriet de Moor verwachtte ik op het gebied van honden ook niet veel.

Dit alles schoot door mij heen terwijl Rick steeds meer onderuit ging zitten en er bijna iets ontstond wat op een gemoedelijke sfeer leek.

Remco en Cees vertelden verhalen over de Kring, waar gevochten werd. En Cees was lief, zoals de vorige keer toen ik hem ontmoette in Australië, als een vader was hij. Goed hij zei dat een paar delen Proust lezen helpt als je zijn werk goed wilt vertalen, maar iedereen heeft recht op eigenaardigheden.

Margriet werd steeds stiller en de staatssecretaris vertelde over de beperkte macht van de staatssecretaris en dat in Nederland alles zo goed geregeld was dat je nauwelijks meer iets hoefde te doen.

Iedereen zat vast in een systeem, niemand kon het helpen, en de goede bedoelingen stierven in het embryonale stadium. En die bloederige embryo's van goede bedoelingen sleepten we nu in een zakje met ons mee. Er liepen door gebrek aan koelruimte wat maden en wormen door de goede bedoelingen. Mijn ogen zochten de hond, maar hij hond was nergens meer te bekennen. Misschien was hij ook wel dood. Het was zo'n avond waarop veel stierf.

De vriendin van de staatssecretaris vertelde over Chinese aandelen en werd met de minuut mooier. Het wonder van de Praagse likeur voltrok zich, maar met Italiaanse likeur lukt het ook. Op een gegeven moment is zelfs een zeventigjarige zonder tanden een standbeeld van schoonheid en dat mag gerust een wonder heten.

Ook Remco Campert werd mooi, en de woordvoerster van de staatssecretaris werd mooi en ik vond het helemaal geen vreemd beroep meer, woordvoerster van de staatssecretaris, ik dacht voornamelijk, waarom heb ik geen woordvoerster, waar haal ik middenin de nacht in Praag een woordvoerster vandaan, ik heb er namelijk dringend een nodig.

Cees, die ook heel mooi was geworden en nog liever dan voorheen, zei, `toen ik voor de Volkskrant columns schreef kreeg ik wel eens brieven hoe goed ze waren, dat is in jouw tijd zeker anders?' Ik beaamde dit volmondig en ik dacht, Remco heeft dan wel zijn bedenkingen of je over etentjes met zaakwaarnemers van de koningin mag schrijven, maar iemand moet dit toch opschrijven, anders was het allemaal voor niets.

Remco vertelde hoe hij voor Cees had gevochten en ik was meteen jaloers omdat hij niet voor mij had gevochten. Terwijl hij begin 1997 per brief had bevestigd dat hij mijn oom wilde worden.

Obers met grijze handschoenen brachten nieuwe Praagse likeur en een glas water voor Margriet.

De ambassadeur keek steeds sipper, maar zijn hond was nog altijd nergens te bekennen.

Er verscheen nu een pafferige rode meneer voor mijn gezicht die beweerde de nieuwe culturele attaché in Praag te zijn. `Maar dat neemt niet weg', zei hij, `dat ik nu toch wel naar een worstje snak.'

Wee hen die beweren dat het surrealisme dood is. Op de Nederlandse ambassade in Praag is het springlevend en er zijn best nog wel meer ambassades te vinden waar het welig tiert.

Ik meende plotseling dat ik de vriendin van de staatssecretaris moest vragen mijn woordvoerster te worden en haar bedelven onder vele andere voorstellen en plannen. De grootheidswaanzin had mij weer stevig in zijn greep, en als de grootheidswaanzin eenmaal beet heeft laat hij niet snel meer los.

Later zag ik mijzelf de hand schudden van de pafferige meneer en ik hoorde mijzelf zeggen, `bedankt voor alles'. Want de Praagse likeur maakte ook pafferige rode mannetjes mooi.

Toen hoorde ik een stem: `Meneer Grunberg, hoe bevalt Praag?'

Het was de ambassadeur, nog surrealistischer dan aan het begin van de avond. Zijn ogen stonden strak, zijn kaak was fier en hij was zo lang. De staatssecretaris was ook lang, maar die lag onderuitgezakt op de bank, dus van zijn lengte merkte je niet veel, terwijl de ambassadeur als een reus het surrealisme in actie overzag.

Hoe beviel Praag?

Veel bruine tanden, was mij opgevallen. Veel tandbederf, maar mij maakte het niet uit, ook mijn tanden waren niet meer spik en span. Wie het idee heeft dat een zinvolle relatie met andere mensen eigenlijk onmogelijk is, wil ook wel door bruine tanden worden gebeten.

En toen, toen zijn we het Praagse nachtleven gaan verkennen. De staatssecretaris, zijn vriendin, zijn woordvoerster, de pafferige meneer, twee hoge ambtenaren van het ministerie (ik weet niet welk ministerie), mijn vertaalster en ik.

Mar het nachtleven was al dicht.

En zo belandden wij op de hotelkamer van de staatssecretaris.

Een paar haakten af, de ambtenaren, de meneer die naar een worstje snakte.

Maar ik niet, ik had een missie.

Het verhaal van de hond was mij door de neus geboord, maar de rest van het surrealisme wilde ik naakt tegemoet treden. En nu wilt u zeker weten wat op de kamer van de staatssecretaris is gebeurd? Dat vertel ik niet. Misschien omdat we alleen een fles champagne hebben gedronken en omdat ik toen tegen de staatssecretaris en zijn vriendin zei, `ik zal jullie niet langer ophouden'.

Grootheidswaanzin of geen grootheidswaanzin, aan elke nacht komt een eind, ook aan een surrealistische.

Om een uur of half drie verliet ik het hotel en wandelde de Praagse nacht in, de nacht van het tandbederf.