Dichter tegen het schorem

De Poolse dichter Zbigniew Herbert zou de Nobelprijs hebben verdiend, ware het niet dat hij alleen in Polen, Duitsland en Amerika bekend was. Nederland volgt nu dankzij de vertaling het volledige oeuvre van deze dichter omringd door afgestompte socialisten.

Laatst een roos gegeten. Eerst dreef hij in een schaal op tafel, prachtig, donkerrood, en later lag hij in een jasje van deeg op het bord, bestrooid met suiker. Geurig. Zacht. Zoet. `De zoetheid heeft de naam: roos', schreef Zbigniew Herbert. Toen hij jong was schreef hij graag over rozen (`o bron van de hemel op aarde/ o constellatie van blaadjes'), of hij schreef graag dat hij graag over rozen schreef. Want eigenlijk deed hij het niet zo vaak. Hij at ze ook niet, neem ik aan. Hij vond de wereld niet om op te eten. Hij vroeg zich juist af of het niet gênant was om over rozen te schrijven in een wereld die toch werkelijk wel andere dingen aan het hoofd heeft.

Voor een dichter die in 1924 in Polen geboren werd, die in het Poolse verzet vocht tijdens de Tweede Wereldoorlog, die de communistische overmeestering daarna meemaakt, de jaren van het stalinisme, de jaren van het post-stalinisme, de staat van beleg in de jaren tachtig, voor zo'n dichter is het heel duidelijk dat de wereld geen rozentuin is. Die heeft voldoende om over te schrijven, die hoeft niets te verzinnen, die kan beter zeggen hoe het zit.

Het zit zo.

Op een ochtend worden vijf mannen tegen de muur gezet en even later liggen ze al levenloos op de grond. `ik heb dat niet vandaag gehoord/ weet dat niet sinds gisteren pas/ waarom dan schreef ik/ onbenullige gedichten over bloemen'. Nu een andere vraag: waarover spraken die vijf mannen de nacht voor de executie? `over voorspellende dromen/ een avontuur in een hoerenkast/ auto-onderdelen/ een zeereis/ als hij schoppen had/ moest hij niet beginnen' over het leven, kortom. `en daarom kun je' schrijft Herbert

in de poëzie de namen van Griekse herders gebruiken

de kleuren van de ochtendhemel trachten te vereeuwigen

over de liefde schrijven

en ook

nog een keer

met dodelijke ernst

de bedrogen wereld

een roos

aanbieden

Zo staan de zaken. Zo'n dichter is deze dichter, een dichter die hartstochtelijk van het leven wil houden, moet houden, zal houden, een dichter die dat toejuicht, een dichter van het hier en het nu, een dichter van dingen en zintuigen. Midden in een wereld waar de kogels hem om de oren vliegen en waarin de geschiedenis de baas lijkt te zijn. Over de geschiedenis heeft hij niet veel goeds te zeggen. De geschiedenis is een bloedige dame, die erop los ranselt, die steden verwoest, mensen onder de voet loopt `schorem aan het hoofd van afgestompte menigten/ tegen een handvol rechtvaardigen en verstandigen', de geschiedenis is iemand met wie je beter zo min mogelijk te maken kunt hebben. Maar Herbert had wel met haar te maken en niet zo'n beetje ook.

In zijn Verzamelde gedichten, die aanstaande maandag op Poetry International door bevriende en bewonderende dichters gepresenteerd zullen worden, kan men lezen hoe hij van een jonge dichter op zoek naar een eigen toon, ontbloeide tot een wijze en tedere meester, een poosje bitter en pessimistisch werd, zichzelf hervond en tenslotte stierf. Al dichtend. Zelden las ik gedichten zo van de rand van de dood geschreven. En nog altijd maar gehecht aan `heel die levensrommel waarin/ ik sinds onheuglijke tijden reddeloos verdrink'.

Medeleven

De vorig jaar overleden Herbert is een groot dichter, wat ze in Polen al lang wisten en ook in Duitsland en Amerika, alleen in Zweden waren ze telkens zo dom om hem niet de Nobelprijs te geven. Dat vond Wislawa Szymborska, zijn landgenote die de prijs drie jaar geleden wel kreeg, ook gek. In Nederland wisten sommige mensen al heel lang dat Herbert een van de paar echte poëtische wereldreuzen is (nu ja, alsof dat op schalen, in wedstrijden en met prijzen gemeten wordt) maar wie het nog niet wist, bijvoorbeeld omdat hij de twee eerder vertaalde bundels Meneer Cogito en Bericht uit de belegerde stad miste, die wordt nu volop in de gelegenheid gesteld om er ook achter te komen. Geen enkel land heeft wat wij nu hebben: alles. Dankzij Gerard Rasch, de vertaler die ook Szymborska aan de Nederlandse taal schonk, bezitten wij Nederlanders nu ruim zeshonderd bladzijden Herbert.

En wat voor iemand lijkt dat dan te zijn, die Herbert van 600 pagina's. Na het lezen van de poëtische neerslag van een heel leven zou men daar toch een indruk van moeten hebben. Hier volgen een paar indrukken.

Herbert is een dichter die weinig op heeft met de verbeelding, in de zin van verzinsels, versiersels en gezochte metaforen. Over zijn eigen verbeelding beweert hij dat die niet meer is dan een plankje waarop hij af en toe met een stokje klopt en dan zegt dat plankje `ja - ja/ nee nee'. Nooit komt er eens een weelderige tuin, een spannend verhaal, een groots visioen uit dat plankje. Niets dan droog gemompel. Verder is hij dol op tautologieën `uitleggingen/ idem per idem/ dat een vogel een vogel is/ slavernij slavernij/ een mes een mes/ de dood de dood'. Als dat hem tot een mindere dichter maakt, het zij zo. Wat hij wil is de verbeelding gebruiken als `een instrument tot medeleven'. Dan volgt er een typisch Herbertiaanse opsomming van dingen die hij met behulp van de verbeelding volkomen wenst te begrijpen, onder meer: `de nacht van Pascal', `de angst van de Neanderthaler', `de vreugde van de schilder van Lascaux', `de opkomst en ondergang van een eik'.

Herbert is een dichter met een personage, `meneer Cogito' geheten, dat, zoals zijn naam al zegt, voornamelijk nadenkt en dat dezelfde voorkeuren aan de dag legt als zijn schepper. Meneer Cogito is een man vol zelfrelativering, ironisch, glimlachend, zonder illusies maar verliefd op de schoonheid. Hij is de meer zorgeloze, spottende en grappige kant van de dichter. Hij durft persoonlijker te zijn, hij heeft een vader en een uiterlijk, zwakheden, voorouders en een kleine persoonlijke afgrond waar hij wel op gesteld is. Bij meneer Cogito zijn de dingen niet reusachtig.

Herbert is een dichter die houdt van de spreektaal, van helderheid en gewone woorden. Bij hem geen sonnetten, geen hermetische strofes, geen woordkunst en -spel. Zijn gedichten zien er vaak eigenaardig gerafeld uit, met dan weer lange dan weer zeer korte regels. In zijn jonge jaren streefde hij nog wel eens wat meer regelmaat na, drieregelige strofes met regels van gelijke lengte, maar geleidelijk aan lijkt hij dat soort vormprincipes helemaal niet meer belangrijk te vinden. De kloof tussen proza en poëzie is bij hem niet zo groot, al is wat hij schrijft onmiskenbaar poëzie. Hij permitteert zich graag opsommingen zonder komma's, meestal van drie dingen (`de oerossen eenhoorns eekhoorns') maar hij zet ook wel graag alles op een nieuw regeltje:

daarna

duwt hij zijn bril recht

zet thee

mompelt

aait de kat

Dat gaat over een schilder, bezig met scheppen. De wereld die God gemaakt heeft werd zo verschrikkelijk volmaakt door Zijn berekeningen dat er niet in te wonen valt. De schilder die in dit gedicht aan het werk is, is bezig met het schilderen van een wereld `goed en vol vergissingen', waarin men veel liever zou wonen. Een menselijker wereld gemaakt door `een vriendelijke verbeelding/ en een onbewuste hand/ die de wereld verbetert'.

Herbert houdt niet van abstracties. Niet van volmaakt en zuiver en eeuwig en etherisch. Hij houdt van de zintuigen, van vlekken, kleine beestjes, kiezels, aardige mensen, oude agenda's, een krukje. Hij gelooft niet in leeg en puur, in eerste en laatste dingen. Hij gelooft in de rommel van alledag, in onbetaalde rekeningen, een omgevallen kopje, iemand die aanbelt op het verkeerde moment, gesjouw met koffers. Als hij schrijft over een ontmoeting die Spinoza met God had, veronderstelt hij dat ook God niet zo'n zin heeft in abstracties. Wat God belangrijk vindt, is het heden. Hij berispt Spinoza om zijn armelijke leven, spoort hem aan wat geld te verdienen, wat luchthartiger te zijn, een vrouw te zoeken van wie hij een kind kan krijgen `zie je Baruch/ nu hebben we het over de Grote Dingen'. Die God heeft wel wat van Herbert. Op die God heeft hij het ook nogal begrepen, dat is degene die hij aanspreekt en dankt of die hij, in zijn laatste bundel vanaf zijn ziekbed vraagt om hem te helpen `de vrucht te verzinnen/ het zuivere beeld van het zoet'. De God van de kerk, die van het oordeel, van het hiernamaals of de eeuwigheid, de God van de engelen die geen lichaam hebben, daar heeft Herbert het veel minder op. Er zou een aparte studie te schrijven zijn over Herberts eschatologische voorstellingen, maar ze komen er toch wel steeds op neer dat hij zich een lichaamloos bestaan van zuiver geest niet kan en niet wil voorstellen. Schrijft hij over het paradijs dan staat er `het lukte niet om het lichaam volkomen/ te scheiden van de ziel die hier aankwam/ met een druppel vet een draadje spier'. Daarom is het paradijs toch wat aardser uitgevallen, meer als een modelstaat, dan aanvankelijk de bedoeling was.

Tranen

Ook Meneer Cogito doet eens een poging om zich de eeuwigheid voor te stellen. Er lijkt hem niet veel aan `zonder reizen/ vrienden/ boeken', zonder `zijn vogelatlas'. Hij denkt dat hij wel zal moeten vegen op het plein van het vagevuur, en dat hij vermoedelijk nooit het paradijs zal betreden. Want hij zal geen afstand willen doen van zijn zintuigen, in ieder geval niet van het gezicht en van de tast. Meneer Cogito en zijn schepper hebben liever pijn, proeven liever de smaak van tranen, verheugen zich liever in liefkozingen, vergezichten, schilderijen dan dat ze tot zoiets abstracts als eeuwige zaligheid geroepen zouden willen worden.

Ook in zijn allerlaatste gedichten blijft Herbert trouw aan de wereld met haar dingen en mensen, haar schoonheid, haar smerigheid en haar pijn. Met de onthechting wil het niet erg lukken. Hij blijft de tederheid `voor mensen, vogels en voor steen' bezingen, hij behoudt zijn ironie als hij de tederheid toevoegt dat ze elke tragedie verandert in een keukenmeidenroman, dat ze zich in plaats van op hooggestemde ideeën op `gekreun geroep en snikken' richt. Een aardsere dichter dan Herbert is nauwelijks denkbaar.

Toch is hij geen zinneloze toejuicher van alles wat maar toevallig bestaat. Integendeel. Hij is streng. Herbert moet een dapper en onbuigzaam man geweest zijn, nooit heeft hij gebogen voor de machthebbers, steeds weer heeft hij herhaald dat het erop aankwam trouw te blijven aan iets dat hij niet precies benoemde maar dat alles te maken had met menselijkheid, mededogen, schoonheid, rechtvaardigheid. En als hij het over trouw heeft, bedoelt hij niet ergens af en toe aan denken, dan heeft hij het over de bereidheid om ergens voor te sterven. Hij verzet zich tegen kreten als `historische noodzaak', tegen te grote idealen, tegen domheid, lelijkheid en wreedheid. Maar nooit is hij daarbij prekerig of zwaar op de hand. Wel slaagt hij erin om gebruik te maken van wat de eveneens Poolse dichter Adam Zagajewski een half jaar geleden in zijn Nexus-lezing `de hoge stijl' noemde, een stijl die meer oproept en meer aandurft dan uitsluitend de `lof van het alledaagse'. Het gaat Zagajewski om `vreemde en heftige openbaringen van schoonheid', hij wil behalve het geringe ook het grote, behalve het aardse ook het goddelijke. Als voorbeeld daarvan haalt hij, onder meer, het werk van Herbert aan.

Een van diens mooiste gedichten, maar er zijn zoveel mooiste, is `Het gebed van meneer Cogito reiziger'. Het is maar nauwelijks een gedicht, het is bijna proza maar als het proza was zou je zeggen: dit is poëzie. Het bestaat uit een enorme opsomming van de dingen waar meneer Cogito voor wil bedanken. Voor mensen, een ezeltje, pleinen, `de wijze tautologieën' van de natuur: `het bos was bos de zee zee de rots rots', voor vruchten, voor aardigheid, voor kunst:

`- ik dank U dat de werken geschapen om U te eren mij een deeltje van hun geheim openbaarden en dat ik in mijn grote arrogantie dacht dat Duccio van Eyck Bellini ook voor mij schilderden'.

Zo zou ook ik wel willen bedanken dat ik in mijn grote arrogantie dacht dat Zbigniew Herbert ook voor mij dichtte. Dit gedicht alleen al. Het eindigt met slotregels die op allerlei momenten de wereld glans geven:

ik dank U Heer dat U de wereld mooi en

verscheiden hebt geschapen

en als dit uw verleiding is dan ben ik

verleid voor altijd en zonder vergeving

Tijdens Poetry International wordt op maandag 14 juni een hommage aan Zbigniew Herbert gebracht met onder meer Gerard Rasch en Adam Zagajewski. Kleine Zaal van de Rotterdamse Schouwburg, aanvang 20 uur.