De keizer van Alexandrië

In de haven van Alexandrië leidt archeoloog Jean-Yves Empereur zijn troepen. Na de vondst van de legendarische vuurtoren blijven ze resten van de antieke wereld boven water halen.

Als een veldheer staat Jean-Yves Empereur op de borstwering van fort Qait Bey, het Arabische zandkasteel dat sinds de vijftiende eeuw de haven van Alexandrië domineert. Het uitzicht – op de zee, de havenhoofden, de enorme baai en de halvemaanvormige boulevard – is weids. ,,Daar rechts, waar nu water is, lagen de koninklijke paleizen'', zegt de archeoloog, terwijl hij naar het heiige oosten wijst. ,,Links voor ons, bij die rots in zee, duiken we naar scheepswrakken. En hier, ongeveer waar we nu zijn, in het verlengde van het antieke eiland Pharos, stond de vuurtoren, het Zevende Wereldwonder. Brokstukken ervan hebben we op een meter of tien hiervandaan gevonden.''

Jean-Yves Empereur, een flegmatieke Breton met een rond figuur en een strohoed op zijn rossige hoofd, doet al een kwart eeuw opgravingen in de stad die na de stichting door Alexander de Grote (331 v.C.) uitgroeide tot het economische en wetenschappelijke centrum van de antieke wereld. Hij vond mozaïeken, gebouwen, graven en onderaardse waterkelders, en haalde vier jaar geleden het wereldnieuws toen hij tijdens een archeologische `reddingsoperatie' in de omgeving van Qait Bey de resten van de legendarische Pharos vond. De meeste stenen van de 135 meter hoge vuurtoren, die in de veertiende eeuw door een aardbeving definitief verwoest werd, waren door de Turkse heersers van Egypte als bouwmateriaal voor onder meer het fort gebruikt. Empereur localiseerde een groot aantal andere in zee getuimelde brokstukken en wist zo de precieze plaats van de antieke vuurtoren te bepalen.

Sinds 1995 dook de 47-jarige Empereur veel meer spectaculaire resten van de hellenistische mengcultuur van Alexandrië op: Grieks-Romeinse zuilen en kapitelen; uit Oost-Egypte afkomstige sfinxen en obelisken uit de tijd van de oude farao's; torso's en kolossale beelden die door de Ptolemaeën, de Griekse koningen van Egypte, als versiering aan de voet van de Pharos waren opgesteld. ,,De meeste vondsten waren voor ons ook een complete verrassing'', zegt Empereur, nadat hij uit zijn rugzak een onderwaterfoto heeft gehaald van een sfinx en een tekenende kikvorsman. ,,Een bevriende egyptoloog dook mee op onze eerste expeditie, gewoon voor de lol, want hij had geen verstand van de Grieks-Romeinse periode. Wie schetst zijn verbazing toen hij op de bodem van de haven plots oog in oog stond met hiërogliefen uit de dertiende eeuw voor Christus?''

Een aantal opgedoken en gerestaureerde topstukken was vorig jaar te zien op een grote Alexandrië-tentoonstelling in Parijs, en werd daarna overgebracht naar een geïmproviseerd openluchtmuseum op het terrein van het Romeinse theater in Alexandrië. Intussen gaat het duiken door, onder andere om de meer dan tweeduizend brokken steen op de zeebodem in kaart te brengen voordat ze bedolven worden onder een dikke laag zand – het verwachte effect van een golfbreker die door de Alexandrijnen wordt aangelegd om het fort en de haven tegen de zee te beschermen.

Maar Empereur is niet de enige die de antieke grandeur van Alexandrië naar boven wil halen. Aan de andere kant van de haven onderzoekt een concurrerend duikersteam, onder leiding van de Franse scheepswrakkenspecialist Franck Goddio, het door schuivende aardschollen verzonken eiland waarop de Ptolemaeën een paleis zouden hebben gebouwd. Goddio vond vorig jaar een schip en de resten van een tempel, en claimde dat ze van de laatste koningin van Egypte, Cleopatra, waren.

Zakenmannendroom

Gedurende twee periodes per jaar, van april tot en met juni en van september tot en met november, gaan Empereur en zijn duikers op campagne naar de zeebodem. Geen sinecure, al was het alleen maar omdat de miljoenenstad Alexandrië nog steeds het merendeel van haar riolen laat uitkomen op het havenbekken. ,,Als je een beetje wind uit het noordwesten hebt, zie je geen hand meer voor ogen'', zegt Empereur. ,,Er zijn plannen om van een deel van de haven een themapark te maken; toeristen kunnen dan in bootjes met glazen bodems naar de antieke resten op zes meter diepte kijken. U begrijpt dat er nog heel wat water door de zee zal stromen voordat deze zakenmannendroom werkelijkheid wordt.''

Als we Empereur eerder die ochtend treffen op de binnenplaats van fort Qait Bey, heeft hij andere zorgen. Druk pratend met de (Franse) leden van de duikploeg staat hij tussen de zuurstofflessen, de onderwatercamera's en de met rubber overtrokken houten boten. ,,Iedere morgen moeten we controleren of het weer wel geschikt is om te duiken'', legt hij even later uit. ,,Er staat nu nogal wat wind, dus kunnen we waarschijnlijk alleen buiten de haven goed werken. Diep water is gemakkelijker, hoewel je ook daarin de kans loopt om zeeziek te worden.'' Zelf zal Empereur (die opgroeide aan de Atlantische Oceaan bij Brest) niet duiken, al doet hij het naar eigen zeggen bij voorkeur elke dag: ,,Het is een verslaving.'' Vandaag speelt hij voor gids en heeft hij in plaats van een zuurstoffles een tas op zijn rug waaruit hij boeken, kaarten en foto's haalt om zijn verhalen aanschouwelijk te maken. Terwijl de `équipe' de zwarte Zodiac-boten in gereedheid brengt, gaat hij ons voor naar een uitkijkpunt op de ringmuur. Dichterbij kunnen we niet komen; de pier waaromheen de Zodiacs varen is militair terrein; je moet een vergunning hebben van de kustwacht én van de geheime dienst van de marine.

De Egyptische bureaucratie is taai, heeft per slot van rekening een traditie van veertig eeuwen, maar Empereur heeft in de afgelopen 25 jaar geleerd om er mee om te gaan. Hoewel hij soms ook verbaasd opkijkt. ,,Toen we vorig jaar het vijf meter hoge beeld van Ptolemaeus de Eerste, de mascotte van de Alexandrië-expositie, per boot terugbrachten, mocht het de haven niet in. We hadden de kolos in Frankrijk uit verschillende brokken opgebouwd, maar de Egyptische autoriteiten dachten dat we archeologisch erfgoed verduisterd hadden. Het heeft weken geduurd voor we ze ervan hebben kunnen overtuigen dat de drie opgedoken stukken nu een eenheid vormden.''

Kikvorsmannen

Er gaat gedoken worden, en Empereur wijst de plaats aan waar even later twee kikvorslieden te water zullen gaan, onder surveillance van twee Egyptenaren. De duikers in de equipe zijn allemaal wetenschappers, want ,,het is eenvoudiger om een archeoloog te leren duiken dan om een duiker de basisbeginselen van het documenteren bij te brengen''. De meesten werken al jarenlang met Empereur samen en hebben zijn eerste opgravingsprojecten in Griekenland en Cyprus nog meegemaakt. Ze gaan van reddingsoperatie naar reddingsoperatie, want ook onder water, bij uitstek een goede bewaarplaats, worden de archeologische schatten bedreigd. Schamper meldt Empereur dat de plannen voor het onderwaterthemapark een grote bron van zorg zijn. ,,We moeten opschieten. Als de zee over een tijdje kalmer is, gaan we verder met het wegtakelen van de betonblokken van de oude zeewering, hier naast het fort. Daaronder liggen nog talloze beelden en stukken van de vuurtoren.''

Het wordt duidelijk dat Empereur weinig ziet in het lokken van toeristen naar Alexandrië: ,,Ik ben een wetenschapper, geen zakenman.'' Maar zijn onverschilligheid ten opzichte van de ambitieuze plannen wordt misschien wel versterkt doordat zijn rivaal Franck Goddio erbij betrokken is. Toen Goddio vorig jaar op een spectaculaire persconferentie zijn vondsten bekendmaakte (`Hier ligt de gouden boot waarop Cleopatra Marcus Antonius ontving'), trok hij en passant Empereurs locatie van de vuurtoren in twijfel: `Als de Pharos daar echt had gestaan, zou de zeebodem rondom bezaaid zijn met wrakken.' Empereur noemt Goddio `onprofessioneel': ,,De locatie van de Pharos staat gewoon vermeld in een middeleeuwse Arabische kroniek, en zelfs de geograaf Strabo heeft haar twintig eeuwen geleden al vrij precies beschreven. Mijn vondsten bevestigen de geschreven bronnen.''

Overigens liggen er rondom Qait Bey inderdaad nogal wat scheepswrakken; daar doet Empereur juist onderzoek naar. De druk bevaren haven van Alexandrië – met 700.000 inwoners hoofdstad en maritiem knooppunt van het koninkrijk der Ptolemaeën – was door de vele riffen levensgevaarlijk, en zelfs de grootste vuurtoren van de oude wereld kon daar niets aan veranderen. ,,De rots die hier voor ons net boven de golven uitsteekt, heet `de Diamant''', zegt Empereur terwijl hij naar het stukje branding wijst waar de duikers in zee zijn gegaan. ,,Nog steeds is het zo dat de zee hier binnen een paar minuten van een spiegel in een kolkende massa kan veranderen. Maar die verraderlijkheid is het geluk van de archeoloog: er liggen hier in de buurt tientallen wrakken, die samen een perfect chronologisch overzicht geven van de geschiedenis van de scheepvaart van de vierde eeuw voor Christus tot de zevende eeuw erna.''

Dorpsarts

Voor de toeschouwer op afstand is het observeren van een duikploeg in actie weinig enerverend – de boten liggen stil, en van het schetsen, fotograferen en sonderen op de zeebodem is niets te merken. Empereur stelt dan ook voor om ons te laten zien wat er met het gevonden materiaal en de meetresultaten gebeurt: ,,Per slot van rekening ziet u hier alleen fase 1 van het werk dat we doen.'' Hem komt zo'n rondleiding alleen maar goed uit, want het is zijn gewoonte om elke dag na het duiken een ronde te maken langs alle plaatsen in Alexandrië waar gewerkt wordt door de wetenschappers van het door hem opgerichte `Centre d'Etudes Alexandrines' (CEA). De rest van de ochtend voelen we ons dan ook als stagiaires die meelopen met de visite van een ouderwetse dorpsarts.

We rijden met de taxi van het fort naar het centrum van de stad, door de Turks-Arabische wijk die gebouwd is op het aangeslibde land ten weerszijden van de vroegere dijk naar het eiland Pharos. Empereur vertelt wat Alexandrië voor de archeoloog zo bijzonder maakt. ,,Dit was op een na de grootste metropool van de oudheid, volgebouwd met luxueuze huizen en paleizen, met wereldberoemde tempels, met een centrum voor kunst en cultuur en met een beroemde hoofdstraat die door zuilengalerijen werd afgebakend. Anders dan in Rome is er van al die pracht weinig overeind gebleven. Wat de aardbevingen bovengronds hadden overgelaten werd door de Turkse stadsvernieuwing in de vorige eeuw vernietigd; de pasja Mohammed Ali gaf zelfs de monumentale obelisken van het Caesareum [de tempel voor de Romeinse keizercultus PS] cadeau aan Londen en New York. Maar onder het straatniveau liggen de vloeren en de fundamenten van de oude stad nog gewoon op ons te wachten. Ieder gesloopt gebouw biedt nieuwe perspectieven.''

Aangekomen aan de rand van de uitgedroogde stadstuinen van Alexandrië, stopt de taxi bij een indrukwekkende negentiende-eeuwse fortificatie – een Turkse wapenfabriek die Empereur onlangs van het stadsbestuur in bruikleen heeft gekregen. ,,Dit is fase 2'', zegt de archeoloog; ,,in dit gebouw wordt alles wat we vinden, te land en ter zee, geregistreerd, geconserveerd en opgeslagen.'' Nadat we zijn afgedaald in het souterrain, wijst hij met bescheiden trots op de kratten en de metershoge kasten met schoenendozen (,,1764 stuks'') waarin al het opgravingsmateriaal wordt bewaard. In vlot Arabisch praat hij met twee Egyptenaren die nieuwe dozen aan het vullen zijn (,,een van mijn collega's heeft ze leren lezen om dit werk te kunnen doen''). Empereur lost een klein probleem op, geeft een medewerker geld om schragen voor nieuwe kasten te kopen, en gaat ons voor naar de eerste verdieping, waar een ander deel van zijn staf bezig is met het in elkaar puzzelen van gebroken vaatwerk en – iets spectaculairder – beschilderde grafstenen. Iedereen lijkt blij hem te zien en neemt de gelegenheid te baat om hem vragen te stellen. En daarna spoedt de dokter zich weer verder, nu naar het zenuwcentrum van zijn operaties, het hoofdkantoor van het CEA.

Kaartenhuis

Zigzaggend door het dolle Alexandrijnse verkeer vraag ik Empereur hoe hij deze hele organisatie, in totaal zo'n veertig mannen en vrouwen, financiert. De ingewikkelde uitleg die hij geeft – een kaartenhuis van overheidssubsidietjes, steun van Franse universiteiten, liefdewerk-oud-papier, en de lage levensstandaard in Alexandrië – maakt duidelijk dat hij creatief te werk moet gaan, maar ook dat hij jaarlijks ten minste 400.000 dollar aan sponsorgelden nodig heeft. ,,De afgelopen jaren is ons onderzoek onder meer betaald door de oliemaatschappij Elf-Aquitaine en door een Japanse televisiezender die daarmee de exclusieve rechten voor een documentaire kreeg. Voor volgend jaar heb ik nog niets; een belangrijk deel van mijn werk is dan ook het schrijven van boeken en het houden van lezingen om fondsen te werven.'' Empereur zegt het niet, maar het verschil met collega Goddio, die over de miljoenen van een vaste sponsor in Liechtenstein kan beschikken, is schrijnend.

Dat Empereur zich toch niet zielig hoeft te voelen, blijkt wanneer we vanuit de lift zijn hoofdkwartier op de zevende verdieping van een hoge flat binnenstappen. Er is een ruime zitkamer met een bar waar wijn en pastis wordt geschonken, en daarnaast een groot dakterras met lange beschaduwde tafels, natuurlijke air-conditioning en een schitterend uitzicht over het moderne voetbalstadion en de oude binnenstad van Alexandrië. Twee trappen lager is een aantal studeerkamers ingericht, waar achter de nieuwste computers kaarten en opgravingsverslagen worden gemaakt. Met een paar muisklikken, zo demonstreert Empereur, kun je via de overzichtskaart van Qait Bey `inzoomen' op de voorwerpen die op de zeebodem liggen; de bedoeling is dat uiteindelijk van alle antieke brokstukken zowel schematische tekeningen als foto's beschikbaar zijn.

Van plannen voor de herbouw van de Pharos, waarover vorig jaar de Egyptische kranten berichtten, houdt Empereur zich verre. ,,Ik geloof dat de toeristenindustrie van de stad het liefst een soort Las Vegas aan de Middellandse Zee zou willen maken. Het ene plan bestaat uit de herbouw van de antieke toren, maar dan op een andere plaats, in de westelijke haven. Het andere voorziet in een permanente lasershow die als moderne vuurtoren zou moeten fungeren. En dan is er Pierre Cardin, de parfumkoning; hij wil tweehonderd miljoen francs spenderen aan een obelisk van glas en staal die op het havenhoofd bij Qait Bey moet komen. Met archeologie heeft dat allemaal niets te maken. Alleen al van de rente van dat bedrag zouden wij tot in lengte van dagen noodopgravingen in heel Alexandrië kunnen doen.''

Het is inmiddels half twee, en de geur van de Frans-Egyptische keuken vult de bovenste verdiepingen van het flatgebouw. Over een half uur komen vanuit alle hoeken van Alexandrië de medewerkers van Empereur voor een gemeenschappelijke warme maaltijd naar het dakterras. We nemen afscheid, want vreemde gasten worden daar niet voor uitgenodigd. De lunch is een teambespreking, zowel een evaluatie van de ochtendopgravingen als een voorbespreking van de dataverwerking in de middag. Eten, drinken en overleggen – met de archeologie volgens Jean-Yves Empereur heeft het alles te maken.

De twee recentste boeken van Jean-Yves Empereur zijn `Alexandria Rediscovered' (British Museum Press, 255 blz., £ 28,50, geïll. en geb.) en `Le Phare d'Alexandrie' (Gallimard, 128 blz., 60 francs).