As

,,Voor ons is het museum hetzelfde als voor de Parijzenaars de Eiffeltoren'', zegt Adriana Warno. ,,Het museum is de ene kant op, en Oswiecim de andere, en die twee hebben weinig met elkaar te maken.''

In Auschwitz vliegt de jeugd tegen de muren van verveling. In de meeste etalages liggen alleen nog maar stoffige schooltassen, haakwerkjes en goedkope serviezen. Werk is schaars, en ook het Lager-toerisme loopt terug. Dit jaar komen opvallend weinig Amerikanen naar Auschwitz, wegens de Kosovo-oorlog wordt gezegd. De muren van het stadje staan vol anarchistentekens en Keltische kruisen.

Ik ben toevallig met Adriana in gesprek geraakt. Ze is hier geboren en getogen, net als haar ouders. ,,Als ik het museum zie, ben ik er wel eens mee bezig'', zegt ze, ,,Het is ook geen taboe. Iedereen hier wist wat er in het kamp gebeurde, je zag het gewoon, en anders rook je het wel. Maar nu wijdt niemand er ooit nog een gedachte aan. Je wordt anders gek. En je wilt ook leven – en het leven is hier al zwaar genoeg.''

Nu zit ik in de trein naar Lublin. Warm, zacht golvend land, een meer, overal groepjes haastig hooiende mannen, in de verte onweerswolken. In Lublin is het oude joodse getto herschapen in een stil, brandschoon poppenhuis. Het plein staat vol bonte toeristenterrassen. Dit zijn dus dezelfde straten waar het ooit vol was van vrolijke joodse vrouwen, schoolkinderen, mannen met grote zwarte hoeden, een grote, dichtbevolkte joodse buurt.

In het nabije Majdanek-kamp zie ik een onvoorstelbare hoop as, roestige ovens en tussen het gras nog hier en daar witte flinters bot.