Alles bij het oude

België gaat dit weekeinde naar de stembus voor `de moeder aller verkiezingen'. Deze verkiezingen zouden anders zijn, een herkansing voor kiezers en gekozenen. Dat was althans de verwachting in de nasleep van de affaire rond kindermoordenaar Marc Dutroux, die België in de zomer van 1996 op zijn kop zette. Plotseling werden politici ter verantwoording geroepen. In een Witte Mars op Brussel eisten de Belgen van de `heren ministers' hervormingen bij politie en justitie en een beleid waarin de mens centraal stond. De mondige burger was geboren. Politici van hun kant beloofden een `nieuwe politieke cultuur' met meer aandacht voor behoorlijk openbaar bestuur, een betere relatie tussen overheid en burger en het einde van het clièntelisme, politieke klantenbinding door het uitdelen van gunsten als een baan of een uitkering. Zelfs de scheiding tussen Vlaanderen en Wallonië leek even niet meer te bestaan. België zou veranderen.

Van dat elan is aan de vooravond van de verkiezingen niets meer over. De mondige burgers hebben de politiek weer misprijzend overgelaten aan `de politiekers'. De `witte woede' blijkt een eenmalige uitbarsting te zijn geweest. De relatie tussen de bevolking en de politiek is nog even moeizaam als altijd. Inmiddels wordt gesproken over de `grootmoeder aller verkiezingen' waarin alles weer is als vroeger. Of over de `misser aller verkiezingen' die het extreemrechtse Vlaams Blok een verkiezingszege dreigt te bezorgen. Maar het zijn ook de `verkiezingen van de kip en het ei', want er is weer een nieuwe affaire losgebarsten in het land van de duizend schandalen. Twee ministers moesten vlak voor de verkiezingen aftreden, omdat ze informatie hadden achtergehouden over dioxinebesmetting van kippen. Niet bepaald een staaltje van behoorlijk openbaar bestuur.

Opkomstplicht

Zoals bij vorige affaires mopperen Belgen dat politici er kennelijk niet voor de bevolking zijn maar voor zichzelf. Opnieuw vragen ze zich af wat er nog werkt in dit land. Ze zeggen zich te schamen Belg te zijn, zoals ze dat deden na het losbarsten van de affaire-Dutroux en na de dood van een door de Rijkswacht verstikte Nigeriaanse asielzoekster. Ze zijn, kortom, weer wat meer van hun overheid vervreemd. Sommigen dreigen de politici `eens goed te laten verschieten' door een proteststem uit te brengen op het Vlaams Blok. De kloof, die in elke moderne westerse democratie gaapt tussen burgers en politiek, bestaat in België uit wantrouwen. Die argwaan is geworteld in de geschiedenis van een volk dat eeuwenlang werd overheerst door vreemde mogendheden en een diepe argwaan koestert tegen de overheid die nog altijd als de erfvijand wordt beschouwd. Maar het is vooral ook het gevolg van de affaires: van de Bende van Nijvel via de moord op veearts Karel Van Noppen tot de kippencrisis. Affaires die bewijzen dat de overheid niet in staat is haar eigen bevolking te beschermen. Affaires die ook niet werden opgelost, waardoor theorieën konden gedijen over samenzwerende gezagsdragers. De `politiekers' veranderen niet, is de algemene indruk. `Moeder waarom stemmen wij?' kopte een krant vertwijfeld.

Toch is er in ieder geval nog één reden om te spreken van de `moeder aller verkiezingen'. Zondag wordt in België gestemd voor een recordaantal van acht parlementen: de federale kamer en de senaat, de Vlaamse raad, de Waalse gewestraad, de Brusselse hoofdstedelijke raad, de Raad van de Franse gemeenschap, de Duitstalige gemeenschapsraad èn het Europees Parlement. Iedereen boven de achttien moet minstens vier stemmen uitbrengen. Mòet, want in België bestaat nog altijd een opkomstplicht, die verdedigd wordt uit de emancipatorische overtuiging dat anders de laag-geschoolden thuis blijven. Maar door het grote aantal instellingen is het veel kiezers een raadsel waarvoor ze precies naar de stembus gaan. Voor Europa en de gemeenteraad, opperde laatst een deelnemer aan een verkiezingsbijeenkomst. Voor de provincie, giste een ander.

België, met zijn zes regeringen, zeven parlementen en meer dan veertig ministers wordt te ingewikkeld om nog te begrijpen. De staatshervormingen, die het land al meer dan 25 jaar in zijn greep houden, hebben het veranderd in een institutioneel labyrint. Bevoegdheden zijn versnipperd over de federale overheid, de gewesten en de gemeenschappen. Als handleiding in dit doolhof schreef uitgerekend een politicus België voor beginners, een schools maar overzichtelijk boek over alles wat je over de staatsinrichting zou willen weten. De auteur en ex-minister Johan Vande Lanotte had daarvoor tijd, toen hij vorig jaar moest opstappen wegens de ontsnapping van Dutroux.

In een land waar de politieke kaste in zijn geheel wordt gewantrouwd en je een handboek nodig hebt om te begrijpen waarvoor je eigenlijk naar de stembus gaat, is het geen wonder dat veel mensen winkelen tussen de partijen en stemmen op personen die hun aanstaan. Voor het Europees Parlement op de politicus die ze op de markt tegen kwamen en die beloofde dat hun riolering wordt gerepareerd. Want het dienstbetoon bestaat nog steeds. Voor de Senaat op de politica die bij de uitgang van de metro folders uitdeelde met een wulpse foto van zichzelf en de tekst `genoeg prostaat in de Senaat'. En voor de zekerheid voor de Kamer nog een stem op een traditionele partij, die tenslotte verbonden is met de machtige ziekenfondsen en de vakbonden die de uitkeringen regelen.

Het recordaantal parlementen illustreert dat Belgische verkiezingen niet meer bestaan. Er bestaan Waalse verkiezingen, Vlaamse verkiezingen en Brusselse verkiezingen, met elk hun eigen dynamiek. In Wallonië is het economisch herstel de inzet, in Brussel de veiligheid en in Vlaanderen de kippencrisis en de democratie. Als er ìets is wat de Vlaamse verkiezingscampagne al wekenlang kenmerkt, dan is het de angst voor het Vlaams Blok. De extreemrechtse partij speelt met succes in op de gevoelens van onveiligheid en racisme maar ook op de algemene onlustgevoelens.

Maar van een algemene verkiezingskoorts is geen sprake. Vroeger waren er tenminste nog de gigantische billboards die in de weken voor de verkiezingen het straatbeeld bepaalden. Zo orakelde premier Dehaene in 1995 nog in twee talen `de tocht is moeilijk, de gids ervaren'. Die affiches zijn nu verboden in een poging de verkiezingsuitgaven te beteugelen. Waartoe de hoge uitgaven in het verleden hebben geleid, is vorig jaar gebleken tijdens het Agusta-smeergeldproces waarbij socialistische politici werden veroordeeld.

Bij wijze van afscheid van de verkiezingsaffiches schreef journalist Hugo de Ridder het boek Vijftig jaar stemmenmakerij. Aan de hand van `het uithangbord van het democratisch gebeuren', beschrijft hij vijf decennia verkiezingscampagnes. In de naoorlogse periode zag het politieke veld in België er nog overzichtelijk uit. Partijen waren nog niet uiteengevallen in een Franstalige en een Nederlandstalige variant. Socialisten en christendemocraten genoten tot midden jaren zestig een comfortabele tweederde meerderheid in het parlement. `Doet als Tommy stemt socialist' moedigden de socialisten in 1946 aan, op posters met een lachende Britse soldaat. De christendemocraten stelden dat jaar de retorische vraag: `Wie zal België wederopbouwen?'

Net als in de rest van Europa werden in België de traditionele partijen sinds de jaren zestig belaagd door nieuwe belangenpartijen, die vóór het milieu of tegen kernwapens waren. Bijzonder voor België is dat hier vooral de regionalistische partijen een grote rol hebben gespeeld. De Vlaamsnationale Volksunie deed het eind jaren zestig onverwacht goed met de leus `klare afspraken goede buren', waarmee ze doelde op haar eis dat bevoegdheden zouden worden overgedragen van de nationale overheid naar Vlaanderen en Wallonië. In een reactie wierp het radicaal francofone FDF zich op voor de belangen van Franstaligen. De partij schuwde niet te appelleren aan de herinnering van de Duitse bezetting: `Brüssel Vlaams? Jamais'.

Gezwijm

De eisen van Vlaamse zijde hebben er toe geleid dat België voortdurend wordt vertimmerd. Terwijl landen als Frankrijk en Nederland na mei '68 hun maatschappij hervormden en ontzuilden, hervormde België zijn staat. Trots merken Belgische politici op dat hierbij geen druppel bloed vloeide. Maar die serie staatshervormingen heeft wel veel aandacht opgeëist van politici, die daardoor maar weinig tijd over hadden voor behoorlijk bestuur. Ze waren vooral aan het touwtrekken over de vraag wie welke bevoegdheden zou krijgen en hadden te weinig interesse om bijvoorbeeld politie en justitie te hervormen.

In 1991 kwam een einde aan de voorspelbaarheid van de Belgische kiezers. Beursgoeroe Jean-Pierre van Rossem verbaasde in 1991 vriend en vijand door 200.000 voorkeurstemmen te halen met de leus `Geen gezwijm, stem libertijn.' Die verkiezingen betekenden ook de doorbraak voor het Vlaams Blok. Een onverwacht groot aantal kiezers had proteststemmen uitgebracht door extreemrechts, blanco of ongeldig te stemmen. De traditionele partij als instituut verloor sindsdien steeds meer terrein.

In een poging stemmen te trekken van de zwevende kiezers, zoeken politici naar alternatieven nu de grote affiches zijn verboden. Iedere zichzelf respecterende politicus opende een internetsite en een groot aantal politici bracht een boek op de markt. De Franstalige christendemocraat baron Charles-Ferdinand Nothomb koos voor een low-budget campagne. Hij maakte een voettocht door België, om de eenheid van zijn land te prediken. Maar de oud-minister heeft iets van een profeet onder de heidenen. De meeste Belgen, zeker de jongeren, maken zich niet druk om de staatsvorm van hun land. Of het nu verder uiteenvalt of juist bijeenblijft: het is één van hun laatste zorgen.

Als het waar is dat een staat ook een gevoel is, ziet het er voor België slecht uit. De `Belgitude' is niet groot. Vlamingen kennen hun regionale volkslied De Vlaamse leeuw beter dan de nationale Brabançonne. Het land is onderhevig aan sterke middelpuntvliedende krachten. Aan de ene kant trekken de gemeenschappen en de gewesten die verantwoordelijk zijn voor het economische, culturele en onderwijsbeleid en zo een eigen dynamiek hebben ontwikkeld. Aan de andere kant neemt de Europese Unie steeds meer nationale bevoegdheden over.

Het is eigenlijk een wonder dat België deze eeuw heeft overleefd, ondanks de centrifugale krachten en de indrukwekkende reeks affaires. Niet alleen de afgelopen twintig jaar, ook daarvoor heeft het er herhaaldelijk naar uit gezien dat het einde van het koninkrijk nabij was. Het huwelijk dat in 1830 werd gesloten tussen Vlaanderen en Wallonië is nooit gelukkig geweest. Dat leidt voortdurend tot schokken, waarbij het voortbestaan van het land zelf aan de orde wordt gesteld.

Dat premier Dehaene niet de eerste is die worstelt om zijn land bijeen te houden, blijkt wel uit de politieke carrière van Paul-Henri Spaak (1899-1972). Spaak redde België twee keer van de ondergang, zo is te lezen in de biografie van historicus Michel Demoulin. Spaak, waarschijnlijk de invloedrijkste Belgische politicus van deze eeuw, was een grondlegger van de Europese Gemeenschap en secretaris-generaal van de NAVO. Maar hij was bovenal een Belgisch politicus, die 22 jaar het ministerambt bekleedde en als eerste socialistische premier het land bestuurde.

De eerste keer dat Spaak België redde, was in de zogeheten koningskwestie na de Tweede Wereldoorlog. Koning Leopold III had zich volgens veel van zijn onderdanen gecompromitteerd, omdat hij tijdens de Duitse bezetting in België was gebleven en zelfs een onderhoud had gehad met Hitler. Na de oorlog woedde een verhit debat over de vraag of de koning kon terugkeren. De katholieke CVP schaarde zich achter de vorst, de socialisten behoorden tot de anti-leopoldisten. In Vlaanderen was de steun voor de vorst groter dan in Wallonië, waar stakingen de economie verlamden. Bij de oplossing die uiteindelijk werd gevonden, speelde Spaak een cruciale rol. Na lang aandringen stemde Leopold III er mee in dat hij afstand moest doen van de troon ten gunste van zijn zoon Boudewijn. De toespraak waarin het vertrek van de koning werd aangekondigd, was grotendeels door Spaak geschreven. Zo redde hij het koningshuis, één van de bindmiddelen die België nog altijd bijeenhouden.

Spaak

De tweede keer dat Spaak zijn land voor de ondergang behoedde, was aan het eind van zijn leven. Steeds harder riepen Vlaamsnationalisten in de jaren zestig om het overdragen van nationale bevoegdheden naar de gewesten. De socialistische partij was daar tegen, maar eind jaren zestig realiseerde Spaak zich dat die weigering de Vlaamse eisen alleen maar radicaler zou maken. `Federalisme dat niet van twee kanten komt, leidt tot het uiteenvallen van het land', aldus Spaak in 1969. Twee jaar later ging de pragmaticus nog een stap verder en sloot zich aan bij het radicaal francofone FDF, die prompt haar zetels in het parlement verdubbelde tot tien. In Brussel is de partij nog altijd de grootste, met Spaaks dochter Antoinette als één van de kopstukken.

Spaak had voorzien wat de toekomst zou zijn van zijn land: een federale staat samengesteld uit gemeenschappen en gewesten, die in juli 1993 formeel zijn beslag kreeg.

Opvallend is hoezeer de politieke machtsbalans inmiddels is verschoven naar Vlaanderen. België heeft nu al ruim een kwart eeuw een Vlaamse premier en niemand die dat vreemd vindt. De enige Franstalige politicus die een kleine kans maakt om premier Dehaene op te volgen, de liberaal Louis Michel, is leraar Nederlands en vloeiend tweetalig. Spaak sprak geen woord Nederlands toen hij in 1938 voor de eerste keer premier werd. Omdat hij dit toch ook wat vreemd vond nam hij een lerares Nederlands in dienst. Op een morgen begroette Spaak zijn kabinetschef tot diens verbazing met `goedemorgen meneer Rens, hoe gaat het met u?' Daarna, aldus de kabinetschef, is er geen woord Nederlands meer van Spaak vernomen.

Johan Vande Lanotte, Siegfried Bracke, Geert Goedertier: België voor beginners. Wegwijs in het Belgisch labyrint. Die Keure,

263 blz. ƒ56,90

Hugo de Ridder: Vijftig jaar stemmenmakerij.

17 verkiezingscampagnes (1946-1995). Scoop, 189 blz. ƒ31,80

Michel Demoulin: Spaak.

Editions Racine, 736 blz. ƒ73,25