Trou moet blijcken

Dit is een gedicht met zo'n beginregel waarvan je denkt: dát noem ik met de deur in huis vallen. De dichter doet het zo achteloos dat je meteen met hem meegaat en niet eens in de gaten hebt dat hij je iets ongewoons voorschotelde –

Soms zit ik op den uitkijk in een boom

– jawel, de dichter zit daar een beetje in de boom, niet vaak weliswaar, maar toch geregeld. Daar zit hij dan op de uitkijk, zoals dat nu eenmaal gaat bij dichters. 't Roept een beetje die andere eerste regel van Minne bij je wakker –

De dichter zit in het bordeel en denkt

– ook al zo langs z'n neus weg gezegd, ook al zo zonder enige tegenspraak te dulden, zó boem-pats dat je de gekkigheid ervan vergeet. Niet de gekkigheid dat de dichter in het bordeel zit, bedoel ik, maar dat hij denkt.

De dichter zit dus in de boom, akkoord, en observeert vanuit zijn hoge positie het mensengewoel. De omschrijving `een boom boven de vlakte' duidt op een solitaire boom en dus ook op een eenzame positie. Alles bij elkaar heeft het iets van de beruchte ivoren toren, al gebruikt Minne de meest dagelijkse taal. Uitkijk, boom, vlakte, mensen. Zitten, lopen.

Pas in de derde regel tilt hij het beeld naar een symbolisch plan. Een lokaal feit verhevigt zich tot algemeen idee. Het lopen van mensen wordt het ijlen van schimmen in een droom. Omdat Minne de zotte situatie van de eerste twee regels zo zakelijk bracht accepteren we het abstracte gehalte van het vervolg als een realistische voorstelling.

De dichter schrijft het levendig genoeg op. De mensen gaan uit elkaar om vervolgens nieuwe bendes te vormen – opstootjes lijken in de formulering van Minne onvermijdelijk – en

Zij draven, draaien, dretsen links en rechts

– dat dretsen is volgens het WNT West-Vlaams voor slenteren, `zonder doel of zonder houding lopen'. Ze hollen maar wat, zonder te weten waarheen of waarvoor. En dat doen ze

te voet, per huifkar, rijwiel of in

treinen

– dat wil zeggen in oude tijden, in de negentiende eeuw, in onze moderne twintigste eeuw, kortom sinds de mens twee benen heeft.

We zitten middenin een kosmisch beeld van de Mensheid door Alle Tijden heen, en toch heeft Minne geen hoogdravend woord gebruikt.

De dichter heeft het duidelijk over de maatschappij. Hij blijkt niet te beroerd zich met de wereld te bemoeien. Hij heeft hier zijn ivoren toren verlaten. De boom blijkt inderdaad gewoon een boom.

Wat resteert zijn vraagtekens. Twee opeenvolgende regels worden er mee besloten. Wat laat de mensen rennen? Zijn ze pionnen in een machtsspel? Of is het niets dan hun chaotische aard?

Hij komt er niet uit. En hoe ik... – het `en' aan het begin van de regel hier heeft een functie, het zegt iets over zijn enorme geduld. Hoelang hij ook, zo besluit hij, dit krioelen en dit kolken

van op mijn uitkijk wijselijk bespied

– dat wil zeggen, zo goed als hij kan, met al het oordeelsvermogen dat in hem is, hij kan er maar niet achter komen of er wellicht een diepere zin schuilt in al het gedraaf van die zielloze stippen op de aardkorst. Wat voor zinvols en verstandigs kunnen we er aan ontlenen, aan dat fanatieke, haast dwangmatige samenscholen en beoorlogen?

Ik dub mij scheel. En gij? Ontwert gij iet?

Ook de slotregel mag er zijn. Een ideale zin voor alle spandoeken ter wereld. De verleiding is groot, na het deftige huifkar en `eens gevechts', maar vooral door de associatie met kijken die het woord `scheel' wekt, om in ontwert het werkwoord ontwaren te lezen. Ontwaart gij iets? 't Gaat natuurlijk om ontwarren. De slotregel heeft met nadenken en in de knoop geraakt zijn te maken. Veel verschil voor de betekenis maakt het uiteindelijk niet. De dichter peinst zich suf. Hij ziet geen ontwarring van het raadsel.

En u? Komt u er uit?

't Is een knappe zet dat Minne hier de lezer rechtstreeks aanspreekt. Hij is niet uit op een advies, hij benadrukt daarmee alleen het retorische van de vraag. Tegelijk smeedt hij een band met de lezer door hem in vertrouwen te nemen.

Wij komen er met ons allen niet uit.

Als een dichter `er niet uitkomt', uit vragen van oorlog en vrede, dan heeft dat met een ivoren-torenhouding niets te maken, dan is hij daarin als ieder ander zich scheel dubbend mens. Ziedaar de bijdrage van Richard Minne, magnifiek dichter, aan het vraagstuk van literatuur en engagement.