Tennis op het Binnenhof

Zaterdag zal de Haagse `Oranje Tennis Club' (OTC) ter gelegenheid van haar honderdste verjaardag achter de Ridderzaal een gedenksteen aanbieden met onder meer de volgende tekst: `Op deze plek bevond zich tussen 1500 en 1650 's lands eerste tennisbaan.' Met tennis wordt de voorloper van het tegenwoordige spel bedoeld dat tussen 1500 en 1800 in West-Europa werd beoefend. Ook toen sprak men al van `tennis', een woord dat was afgeleid van het Franse `tenez' (houd 'm!) waarmee de service werd aangekondigd.

Het vooral in adellijke kringen populaire balspel had de volgende kenmerken: de bal werd met behulp van een racket over een net gespeeld; de puntentelling ging van 15, 30, 40 naar 60 of game; het werd gespeeld op een baan tussen vier muren om schade door rondvliegende ballen te beperken. ,,Het enige verschil met het huidige tennis is dus de baansoort'', zegt OTC'er Theo Bollerman, oprichter van het Nederlands Tennis Historisch Genootschap en initiatiefnemer van de plaatsing van de steen.

Het tennisspel zoals we dat nu kennen bestaat pas sinds 1874. In dat jaar bedacht een Britse majoor dat het eenvoudiger was op een geschoren grasveld te spelen (lawn tennis). Weer later gebruikte men gemalen dakpannen (gravel) ter verharding van de banen.

Dat de eerste tennisbaan van ons land zich op het Binnenhof bevond, is ontdekt door de tennishistoricus Cees de Bondt. Zijn speurwerk leverde verrassende feiten op. Zo blijkt Filips de Schone, hertog van Bourgondië (1478-1506), de eerste racketbezitter van ons land te zijn geweest. Hij was een fanatieke tennisser. Omdat hij als landsheer van de Nederlanden vaak op het Haagse Binnenhof verbleef, liet hij rond 1500 achter de Ridderzaal een tennisbaan aanleggen. Ten slotte zou Filips zelfs aan zijn hartstocht voor tennis bezwijken. Na afloop van een zware partij die hij in 1506 in Castilië speelde, dronk hij zoveel water dat hij ter plekke stierf.

Inmiddels had de elite het spel met het racket ontdekt. Bij talloze adellijke kastelen verrezen tennisbanen, in Nederland onder meer bij de kastelen Bergh in 's-Heerenbergh en Batestein in Vianen. Ook de prinsen van Oranje zoals Willem I, zijn zoons Maurits en Frederik Hendrik sloegen graag een balletje, zowel op hun baan op het Binnenhof als op de banen bij het kasteel van Breda, het Prinsenhof te Arnhem en het Huis te Dieren.

Vooral in Engeland bestond groot enthousiasme voor het spel, dat weldra `The Game of Kings, the King of Games' werd genoemd. Koning Jacobus I van Engeland schreef zelfs een didactisch werkje, waarin hij betoogde dat het tennisspel waardevol was om `ledigheijt' uit te bannen en het lichaam `bequam' te maken.

Voor prins Willem III (1650-1702), de latere koning van Engeland, kreeg de tennissport in 1668 een politieke lading. In dit jaar speelde hij een uit historisch oogpunt bekeken wel zeer interessante wedstrijd: tegen raadpensionaris Johan de Witt. De verhouding tussen deze twee heren was zoals bekend nogal kil. Maar na het tennisspel had De Witt zowaar enige `affectie' voor de prins opgevat. Dat was ook precies de bedoeling van de Engelse gezant Sir William Temple, die de partij tussen De Witt en Oranje op touw had gezet.

Ofschoon het vier jaar later met De Witt slecht afliep, hield Sir William vast aan het toepassen van tennis als diplomatiek instrument. Daarom was hij in 1678 bij de besprekingen voor de Vrede van Nijmegen bereid 900 gulden mee te betalen aan de bouw van een nieuwe tennisbaan in Nijmegen. Op deze baan kon hij zich dan tussen de vredesgesprekken door met de andere onderhandelaars uitleven. Als Temple nu nog leefde zou hij bij de vredesonderhandelaars in Joegoslavië wel geweten herbben: tennissen!