Schoentje

In Auschwitz bloeit de vlier. Verloofden lopen hand in hand onder de bomen. Naast het café' bij de brug drinkt de stadsjeugd bier met een rietje. Achter hotel Glob dreunen de kolentreinen. Voor het `museum', zoals ze het hier noemen, staat zeker een dozijn toeristenbussen. In het oude joodse kerkhof groeit het fluitenkruid hoog op tussen de graven.

Het blijft verpletterend. Vanwege de massaliteit: de onvoorstelbare hopen schoenen, mensenhaar, tandenborstels, blikjes schoensmeer, koffers met gewone namen – `Judith van Gelder – Den Haag'. Vanwege de omvang: een wandeling rondom Birkenau kost al gauw een uur. En vanwege de nabijheid: de kampcomplexen liggen gewoon in het zicht van het stadje, als iedere andere industrie.

Ik moet denken aan Primo Levi, die ooit schreef over een Duitse collega-chemicus onder de titel: `Auschwitz, een rustig stadje'. Er was één verschil tussen hen beiden: Levi zat binnen het prikkeldraad en hij erbuiten. Deze Oberingenieur zei later dat hij van de gaskamers niets had geweten, hij had er nooit iemand naar gevraagd. `Hij trakteerde zichzelf niet op leugens', schreef Levi, `maar op lacunes, blanco spaties.' Het veld van Birkenau is nu bont van de margrieten, herderstasjes, boterbloemen en klaver. Leeuweriken buitelen boven de oude barakken en de kale rode schoorstenen. In het puin van crematorium III zit een vogelnest. Tussen de schoenenberg in het museum zie ik nog een elegant zomersandaaltje, met een hoge kurken zool en vrolijke wit-rode riempjes. Maar alles begint schimmelig te worden, de haren vervilten, de tijd gaat voort.