Overdonderen lijkt in Venetië het eerste doel

In de Giardini di Castello, waar het hoofdprogramma van de Biennale plaatsvindt, heerst vrede. Bezoekers flaneren er in hun zomerkleren langs de paviljoens, die als theehuizen tussen de bomen liggen. Alles ligt er vriendelijk bij, op deze junidag. De lucht is verzadigd van de geur van bloemen. Maar ondertussen is het een paar honderd kilometer verderop oorlog en daar wensen verschillende kunstenaars geen genoegen mee te nemen.

Maar hoe nog kunst over oorlog gemaakt? De Canadees Tom Dean heeft in zijn paviljoen stapels van de Italiaanse krant Il Gazzettino neergelegd, van de dag waarop werd aangekondigd dat ,,de vrede nabij'' was. Het commentaar van de Israelische Simcha Shirman is harder: zij zette een geweer met vizier op een sokkel waarmee de toeschouwer op zijn medebezoekers kan richten zonder dat die dat doorhebben. Het meest concrete protest komt echter van het Oostenrijkse collectief WochenKlausur, een groep kunstenaars die geen beelden of schilderijen meer maken, maar het als hun taak zien in te grijpen bij misstanden in de wereld. Op de Biennale presenteren ze een project waarbij Kosovaarse vluchtelingen les krijgen in de taal van het land waar ze zijn opgevangen. Om dit project te steunen kan de Biennale-bezoeker voor zo'n 40.000 lire (zo'n 45 gulden) een tas kopen met een `verrassing': een reisje naar Oostenrijk, een fles olijfolie of een gesponsorde tuinkabouter.

En Joegoslavië zelf? Dat doet gewoon mee, met een eigen paviljoen, ingericht door zes Servische kunstenaars. Er heerst een merkwaardige sfeer op deze tentoonstelling, alsof de bezoekers zich generen, maar dat kan ook door de kunstwerken komen: degelijke, ouderwetse schilderijen waarop zwarte en witte vogels de enige verwijzing naar de oorlog zijn.

Toch valt Joegoslavië met dit minieme gebaar nauwelijks uit de toon. De meeste landen kiezen ervoor zich louter met kunst bezig te houden. Daarbij valt op dat veel landen voor een paviljoenvullende installatie kiezen, als een soort `environment' — geen losse kunstwerken waar de toeschouwer tegenover kan staan of omheen kan lopen. Die werkwijze past bovendien goed in de atmosfeer van de Biennale, waar de meeste toeschouwers zich weinig tijd gunnen voor subtiele gestes. Het gevolg daarvan is wel dat overdonderen het eerste doel van veel werk lijkt geworden. Dat geldt bijvoorbeeld voor het Franse paviljoen, waarin Jean-Pierre Bertrand samenwerkt met de Chinees Huang Yong Ping. Voor hun installatie werden dak en vloer uit het Franse paviljoen gebroken, waarna er tien gladgeschuurde boomstammen zijn neergezet die ver de lucht insteken. Op de toppen pronken afschrikwekkende Chinese monsters, die als geesten over de Giardini turen.

Zeker zo ongemakkelijk is de installatie van Ann Hamilton. Zij bevestigde in de randen van de plafonds van de zalen van het Amerikaanse paviljoen brede, witte bakken. Daaruit dwarrelt, met onregelmatige plofjes, een dun, rose-rood poeder naar beneden. Het laat rode sporen op de muren achter en hoopt zich op tegen de wanden – sneeuw gekleurd met bloed ben je geneigd te denken, ook omdat er een weemakend zoete geur in de ruimte hangt.

Tussen al die ernst is het niet onaangenaam de narren Komar & Melamid in het Russische paviljoen aan te treffen. Zij zijn de eersten die dierenkunst op de Biennale weten te presenteren: een reeks foto's van een chimpansee die Mickey heet en vier `schilderijen' van vier olifanten. Als commentaar op abstracte schilderkunst zijn ze wat laat, maar opmerkelijk is wel dat de Thaise oppassers van de beesten volgens Komar & Melamid tegenwoordig van de opbrengsten van de doeken kunnen leven. Dat zou de idealisten van WochenKlausur aan het denken moeten zetten.