Nog 15 ton coke in beerput justitie

De IRT-affaire blijkt nog veel groter dan drie jaar geleden bekend werd. In het opsporingsapparaat wordt met ongeloof gereageerd.

Goed nieuws. De crisis in de opsporing is goeddeels voorbij. De voormalige patiënt, het opsporingsapparaat, is weer helemaal op de been. Of de journalisten dat vooral willen signaleren, beklemtoonde voorzitter E. Kalsbeek van de Tweede Kamercommissie gistermiddag bij de presentatie van haar rapport waarin de aanpak van de georganiseerde misdaad wordt geëvalueerd.

Slechts één zweer rest er. Een akkefietje, dat helemaal achterin het 439 pagina's tellende rapport Opsporing in uitvoering onder het hoofdstukje Bijzondere bevindingen, is opgenomen. Er is door criminelen met hulp van de Nederlandse politie geen 100 kilo, zoals in 1996 de commissie Van Traa vaststelde, maar 15.000 kilo cocaïne op de markt gebracht. Maar verder gaat alles naar behoren.

Die soft drugs die agenten van het IRT-politieteam begin jaren negentig met hulp van criminele infiltranten importeerden, dienden volgens Kalsbeek slechts ,,om de politie van de straat te houden''. Het ging om inferieure weed uit Colombia die nodig was als afleiding voor een grote klapper: de dankzij corrupte opsporingsambtenaren ongestoorde invoer van de veel lucratievere cocaïne. Ter vergelijking: de door Kalsbeek vastgestelde hoeveelheid coke is tien keer zo groot als die waarvoor bijvoorbeeld ex-legerleider Bouterse terecht staat.

Verscheidene officieren van justitie, een onafhankelijke commissie Wierenga (1994), de parlementaire enquêtecommissie (1995) en de rijksrecherche (1996) hebben de zogeheten IRT-affaire nooit helemaal kunnen ophelderen. Vast stond dat onder leiding van twee Haarlemse rechercheurs Langendoen en Van Vondel - die werkten voor het IRT-team - er zo'n 100.000 kilo soft drugs op de markt was gebracht bij infiltratiepogingen. Maar veel vragen konden nog niet worden beantwoord. Onduidelijk bleef bijvoorbeeld hoe de politie de drugsimporten financierde en er waren aanwijzingen dat er royaal cocaïne was ingevoerd.

Maar de gisteren geopenbaarde bevindingen zijn ook in het opsporingsapparaat als een bom ingeslagen. ,,Ik zei net tegen mijn vrouw: dat roken we niet in één avond op'', vertelt een voormalig IRT-officier van justitie die nog op de bank zit na te hijgen van het avondnieuws.

Ex-politieman Klaas Langendoen heeft 's middags al per fax de schokkende bevindingen ontvangen. ,,Heel vreemd'', noemt hij de conclusies. ,,Maar door ons is geen gram cocaïne doorgelaten'', verzekert hij. Maar ja, hij is weer eens niet gehoord, moppert Langendoen. Net zomin als de Kamercommissie zijn maatje Van Vondel heeft gesproken.

Op drie plekken is sinds 1996 onderzoek gedaan naar de open einden van de IRT-affaire: de verdenkingen over corruptie en de nooit opgehelderde drugsimporten van de Nederlandse politie.

Het officiële post-IRT onderzoek gebeurde door het Landelijk rechercheteam (LRT). Officier E. Noordhoek vervolgde met zijn LRT bijvoorbeeld de vorige week wegens cocaïnehandel veroordeelde banketbakker Arnold C., alias Taartman. Het OM hoopte, tot nu toe tevergeefs, via Taartman zicht te krijgen op de activiteiten van Langendoen en Van Vondel die sinds 1991 al een nooit opgehelderd infiltratie-onderzoek naar Taartman hadden lopen.

In Amsterdam heeft met name officier van justitie F. Teeven - kenner bij uitstek van het criminele vaderlandse hasjmilieu - onderzoek gedaan naar banden tussen drugshandelaren en opsporingsambtenaren. Teeven en zijn hoofdofficier H. Vrakking - die in 1993 besloot tot opheffing van het IRT-team wegens vergaande opsporingsmethoden - zijn er altijd op gebrand geweest aan te tonen dat vooral de Haarlemse tak van het IRT-team op hol was geslagen.

Teeven opende onlangs gesprekken met de wegens wapenhandel veroordeelde Mient K. die eerder doelwit was van het IRT. K. wordt door Kalsbeek de ,,topcrimineel'' genoemd met wie door een niet nader genoemde officier van justitie - Teeven, aldus ingewijden - een duistere deal zou zijn gesloten. Amsterdam ontkent dat er een deal is.

In Haarlem zelf werd onderzoek verricht onder leiding van officier van justitie P. Snijders. Hij werd er in november 1994 aangesteld om de politie daar ,,in de klauwen te krijgen'', zoals hij het in oktober 1995 uitdrukte tegenover de commissie-Van Traa. Nog lang niet alles was hem duidelijk maar een ding stond welhaast vast. De informanten stuurden de politie in plaats van andersom. ,,Wij hadden niet altijd de regie''.

Dat er drie onderzoeken werden uitgevoerd is kenmerkend voor de wedijver en het onderlinge wantrouwen binnen justitie en politie. Snijders geldt binnen het OM bij uitstek als een einzelgänger. Hij heeft zijn onderzoek vijf jaar lang in groot isolement uitgevoerd, verzekeren zijn collega's. Maar Snijders is volgens het OM wel degene die nu zijn feiten als de ultieme waarheid heeft weten voor te houden aan de commissie Kalsbeek. De veronderstelde import van 15.000 kilo cocaïne is volgens zijn collega's een feit van Snijders.

Als Kalsbeek van Snijders echt zulke harde feiten heeft gekregen over corruptie en coke-importen, waarom heeft hij dan in de afgelopen vijf jaar niet een normaal strafrechtelijk onderzoek geopend, is de vraag die binnen justitie wordt gesteld. Dat er meer mis was met de IRT-affaire dan tot nu toe bekend was wordt niet bestreden, maar zo erg als Kalsbeek c.s. zeggen, zou het ook weer niet zijn.

Kalsbeek ontkent met klem dat haar informatie alleen van Snijders komt. ,,Dat is absoluut onjuist. Natuurlijk heb ik meer bronnen. En als de Kamer daarom vraagt zijn we bereid daarover vertrouwelijk te informeren.''