Klassenjustitie komt wèl voor

Allochtonen en sociaal-economisch zwakkeren worden vaker vervolgd en krijgen meer onvoorwaardelijke celstraffen.

Een werkloze krijgt eerder een onvoorwaardelijke celstraf opgelegd dan iemand met een baan. Bijstandsfraude wordt altijd aangepakt, belastingontduiking alleen als het om tienduizenden guldens of meer gaat. Een dronken automobilist verliest zijn rijbewijs, tenzij de auto nodig is voor het werk. En een geweldsmisdrijf of een drugszaak leidt meestal tot celstraf, terwijl het bij een vermogensdelict vaak niet tot een veroordeling komt.

Criminoloog B. Rovers van de Erasmus Universiteit Rotterdam onderzocht in opdracht van het ministerie van Justitie of er in Nederland sprake is van klassenjustitie. Zijn conclusie: op sommige terreinen wel degelijk. Vooral bij het aanmerken van verdachten door de politie, de beslissing om wel of niet te vervolgen door justitie en de geëiste straffen door het openbaar ministerie zijn allochtonen en sociaal-economisch zwakkeren in het nadeel. Zij hebben ook een kleinere kans om uit de justitiële molen te geraken als ze er eenmaal in beland zijn, concludeert Rovers.

Rovers onderzocht 47 studies die sinds 1970 zijn uitgevoerd naar klassenjustitie. Ook haalde hij er cijfers van het CBS en andere instanties bij. Daaruit blijkt bijvoorbeeld dat slechts 1,4 procent van de opgehelderde misdrijven met drugs te maken heeft, tegen 11,1 procent van alle vrijheidsstraffen. Voor vermogensdelicten is die verhouding andersom. Omdat sociaal-zwakkeren vaker in drugs handelen en minder vaak een vermogensdelict plegen, constateert Rovers `selectiviteit'.

Rovers maakte een onderscheid tussen directe selectiviteit (ongelijke behandeling in dezelfde soort zaak) en indirecte selectiviteit (wetgeving of regels over opsporing en vervolging die leiden tot klassenjustitie). Beide komen voor en voor beide zijn verklaringen, volgens Rovers.

Dat twee personen verschillend behandeld worden in dezelfde zaak kan veroorzaakt worden door vooroordelen bij de politie, betoogt Rovers op basis van literatuurstudie. ,,Al speelt dit de laatste jaren minder, het overheersende beeld bij de politie is dat daders vooral gezocht moeten worden in groepen met een geringe sociaal-economische status. Als gevolg hiervan hebben personen uit deze groepen een grotere kans om in de strafrechtketen terecht te komen.'' Bovendien zijn er bij sociaal-economisch zwakkeren voor justitie ,,minder drempels om tot vervolging over te gaan en onvoorwaardelijke celstraffen te eisen.'' Ook een slechtere toegang tot rechtshulp voor minder bedeelden en onbegrip tussen justitie en verdachten (van toepassing bij allochtonen) zijn volgens Rovers verklaringen voor directe selectiviteit. Verdachten met meer geld en betere rechtshulp beschikken ,,over meer mogelijkheden de beslissing van de rechter in een voor hen gunstige richting te beïnvloeden''.

Bij de opsporing en vervolging bestaat nog een ander probleem, volgens Rovers. Van eenvoudige zaken (een diefstal, een inbraak) wordt vaker aangifte gedaan en bij zulke simpele zaken zal het openbaar ministerie eerder geneigd zijn te vervolgen. ,,Complexe misdrijven worden vaker geseponeerd dan eenvoudige misdrijven omdat het doorgaans moeilijker is om de bewijslast rond te krijgen.'' Lastige zaken komen relatief minder vaak voor in lagere sociale klassen.

Ook verwacht het OM bij complexe zaken meer tegenstand in de rechtszaal. Rovers: ,,Het bekende voorbeeld van de officier van justitie die bang is voor een goede advocaat en daarom eerder seponeert. Bij een kruimeldiefstal zal een officier zich niet afvragen of hij geduchte tegenstand krijgt.''