Kippengekte is symptoom van een veenbrand

Boeren zijn reddeloos, winkeliers redeloos en de consument radeloos nu na de koeien en de varkens ook de kip en het ei niet van onbesproken kwaliteit blijken te zijn. Het zijn geen incidenten maar het gaat om doelbewuste praktijken, meent Dirk Zoebl.

Wat hebben we de afgelopen drie jaar zoal beleefd? Eerst de gekkekoeienziekte, daarna de varkenspest en nu dus de kip en het ei. De poppenkast na het uitbreken van zulke rampen lijkt een vast scenario te hebben. Bestuurders die zwijgen, vervolgens ontkennen of bezweren. Parlementariërs die, als verwende kinderen, van die bestuurders verwachten dat ze hen onmiddellijk informeren na ontvangst van een onduidelijke fax over een bijna-ramp. En een Wageningse kippenhoogleraar en een minister van Volksgezondheid die voor de tv verklaren `gerust' nog wel een kippenboutje te durven eten.

Vertwijfelde gewone vleeseters die nu ook hun laatste toevluchtsoord, het hoen, kunnen afschrijven en bij paardenvlees belanden. Toeleveranciers en winkeliers die het niet meer zien zitten, want niet alleen kip en ei, maar ook ogenschijnlijk niet aan pluimvee gerelateerde zaken als bonbons en pasta blijken verdacht te zijn. Voor het oog van de tv-camera worden hele schappen leeggeharkt, maar betekent dit iets reëels voor de vermindering van gezondheidsrisico's?

Wat is er aan de hand in de bioindustrie? Hebben we te maken met incidentele gevallen? Nee, want zowel bij de koeien- als de kippengekte ging het niet om vergissingen of slordigheden, maar om doelbewuste praktijken in bepaalde ketens van de agro-business, die uiteindelijk niet `onder de pet' gehouden konden worden. De situatie rond koe, kip en varken is niet iets incidenteels, maar een eerste symptoom van een veenbrand die al langer woedt. Het is allemaal begonnen sinds de productie van vee en vlees halverwege deze eeuw een heilloze richting is ingeslagen. Aangemoedigd door het succes van de massaproductie van bakstenen, potloden, fietsen en elektronica is men die succesformule ook in de dierlijke productie gaan toepassen. Ooit verschilde de productie van melk, eieren en karbonaadjes principieel van die van bakstenen en potloden. Een koe gaf zijn melk van het gras en hooi van de weide van de boer, alleen 's winters werd zij met een enkele lijnkoek bijgevoerd. Varkens kregen schillen en ondermaatse aardappeltjes. Begin deze eeuw had vrijwel elke boer een toompje hennen rond zijn bedrijf scharrelen. Voor het op stok gaan kregen ze avondvoer, harde granen. Die eieren werden gelegd door Nederlandse fokproducten als Barnevelders, Welsumers en Noord-Hollandse Blauwen. Maar de boer (of liever boerin) kon er niet te veel tegelijk van verzorgen. Bovendien legden ze niet, zoals nu, elke dag een ei. Het gevolg: voor een ei betaalde je net zoveel als voor een jonge borrel in het café. Dat mocht niet langer in een maatschappij die gewend raakte aan een steeds uitgebreider pakket van steeds goedkopere spullen.

De wetten van economische vooruitgang zijn onverbiddelijk. Kippen en varkens verdwenen van het erf en werden in hangarachtige stallen, hutje bij mutje op elkaar, bij duizenden tegelijk, rationeel en efficiënt slachtrijp gemaakt. Waar haalden de veehouders al dat voer vandaan? Heel eenvoudig, het menu bestond niet langer uit lokale granen en aardappels, maar uit graanvervangende industriële bij- en afvalproducten, wetenschappelijk verantwoord gemixed door de mengvoederbedrijven. Amerikaanse doorgefokte en gekruiste hybriden verdreven de Barnevelders van het erf van de boer naar de kippenren van de sportfokkers.

Koeien mochten in de wei blijven, maar ontkwamen niet aan de industriële dans. De tien liter melk per dag van de Ot-en-Sien-koe was niet genoeg. Een koeienpens is bij uitstek geschikt om een voor ons mensen onverteerbaar goedje als gras efficiënt om te zetten in melk. Maar die koeienpens is geen ballon, er kan maar een bepaalde hoeveelheid gras in. Ook daar kun je industrieel iets aan doen. Stop extra krachtvoer van, alweer, die goedkope bij- en afval in die koe en je haalt wel 30 liter per dag, of nog meer. Sinds de jaren '70 importeren wij sperma van Amerikaanse superstieren, die een kleinere pens hebben maar een grotere opnamecapaciteit van dat zogeheten krachtvoer. Bestond het menu van onze koeien rond 1950 nog voor 90 procent uit gras en hooi, nu bestaat bijna de helft uit krachtvoer.

Slachtafval en kadavers van zieke en afgekeurde dieren zijn goedkopere eiwitbronnen dan sojameel of melkpoeder. Inspectiediensten en laboratoria zorgen wel voor dier- volksgezondheid. Meestal wel ja, maar al zijn die diensten nog zo snel en secuur, de noodzaak om de kostprijs te drukken zorgen bij tijd en wijle voor desastreuze ontsporingen. Want het gaat niet meer, zoals vroeger, om een enkel bedrijf, maar op nationale, zelfs internationale schaal. Met de trend van dalende prijzen en stijgende kosten is een aanscherping van competitie onder veehouders te verwachten.

Het onheil kan worden afgewend. Overal ter wereld zijn moderne dierhouderijsystemen uitgewerkt waarbij de kans op gektes en ander ongerief zo niet nul, dan toch minimaal is. In Nieuw-Zeeland eten koeien alleen gras en klaver. Bijvoeren met krachtvoer zou die melk te duur maken. De melkprijs is half zo hoog als bij ons. De Bresse kip die rond het Franse Tournus wordt gefokt krijgt, naast het gras en de wormpjes die ze in de buitenren vinden, uitsluitend maïs en melkpoeder. De dieren beschikken over zeventig keer de ruimte van onze scharrelkippen. Ook bij vele andere moderne of alternatieve houderijsystemen kunnen vertegenwoordigers van de mengvoerindustrie hun product niet kwijt en dus vervalt de kans op risicovolle, gevaarlijke verontreinigingen. Behalve voor de Nieuw-Zeelandse zuivel, houdt dat meestal een prijsverhoging in. Weinig Nederlandse huismannen of -vrouwen zullen de 25 gulden neertellen voor een Bresse `merk'-kip (al besteden ze een veelvoud daarvan zonder blikken of blozen aan allerlei merkkleding).

Maar het is ook niet nodig kippen de vorstelijke behandeling te geven die de Fransen daarvoor over hebben. De prijsverhoging voor een verantwoord geproduceerd stukje kip kan heel wat bescheidener uitvallen. Technisch zijn er dan ook geen problemen, die liggen op het economische en sociale vlak. Na nog een aantal schandalen zal toch langzamerhand worden ingezien dat een wezenlijk verschil bestaat tussen industriële en dierlijke productie. Er is niets tegen kiezen voor een Japanse auto boven een duurdere Europese auto, ook al houdt dat regionale werkloosheid en kapitaalvernieting in. Datzelfde geldt niet voor de landbouw en veeteelt. De noodzaak zo goedkoop mogelijk te produceren heeft daar vaak veel meer nadelige consequenties. Niet alleen voor de gezondheid van mensen, ook voor andere moeilijk in geld uit te drukken maatschappelijke en culturele waarden.

Het is niet ondenkbaar om de cruciale en kwetsbare schakel van veevoerproductie uit de privé-sector te halen. Laat boeren dat veevoer, net als aardgas, maar van de staat betrekken.

Dirk Zoebl is landbouwkundig ingenieur.