Industrie moet CO2 drastisch verminderen

Het welslagen van het Nederlandse broeikasbeleid is afhankelijk van ingrijpende maatregelen in de elektriciteits-sector en de industrie.

Samen moeten die de komende tien jaar zo'n 70 procent van de noodzakelijke reductie in uitstoot van broeikasgassen voor hun rekening nemen. Dat is de essentie van de `Uitvoeringsnota klimaatbeleid' die milieuminister Jan Pronk gisteren in Den Haag presenteerde.

Milieu-organisaties Natuur en milieu en Milieudefensie hebben gematigd-positief gereageerd: ,,De heldere nota biedt perspectief op lange termijn, al blijft een trendbreuk uit.''

Greenpeace vindt de nota onder de maat. Ondernemingsorganisatie VNO-NCW reageert zuinig: de maatregelen kosten veel geld. In de energiesector is het oordeel sterk afwijzend.

De nieuwe klimaatnota biedt een zogenoemd basispakket van maatregelen waarmee Nederland in 2010 aan zijn verplichtingen kan voldoen.

In december 1997 kreeg de EU op de VN-klimaatconferentie in Kyoto een uitstootvermindering van 8 procent in 2010 (ten opzichte van 1990) opgelegd. Milieuminister De Boer wist het Nederlandse aandeel later terug te brengen tot maar 6 procent.

In het regeerakkoord van augustus werd vervolgens bepaald dat Nederland niet meer dan de helft van zijn broeikastaak in eigen land zou volbrengen. De rest moet komen van emissiehandel en `Joint Implementation'.

De inspanningen gelden voor het totaal aan alle broeikasgassen, niet alleen CO (de belangrijkste) maar ook methaan, lachgas en een aantal fluorverbindingen. Een langetermijnverkenning van het Centraal Planbureau schat de uitstoot aan CO-equivalenten in 2010 op 50 megaton hoger dan het 6 procents doel. Voor de helft, 25 megaton, heeft Pronk nu beleid ontwikkeld.

De instituten RIVM en ECN hadden een half jaar geleden ruim 60 beleidsopties doorgerekend. Daaruit heeft Pronk een pakket gekozen dat zoveel mogelijk alle `doelgroepen' raakt en bovendien zoveel mogelijk kosteneffectief is. Bovendien wil hij het zwaartepunt van de maatregelen leggen op reductie van CO zèlf, en niet van de andere gassen, ook al is dat wat goedkoper.

De energiebedrijven wordt in relatieve zin de zwaarste inspanning opgelegd. Onder meer zullen de bestaande kolencentrals in hun elektriciteitsopwekking qua CO-uitstoot moeten gaan voldoen aan aardgasnormen.

In theorie kan dat door nog meer biomassa te gaan verstoken, het zal er in de praktijk op neer komen dat ze worden omgebouwd voor aardgas. Zelfs de ultramoderne kolenvergasser van Buggenum hoeft daarbij niet buiten spel te blijven.

De industrie als doelgroep kan aan driekwart van haar verplichtingen voldoen door de vermindering van de uitstoot aan fluorverbindingen van een handvol bedrijven, waaronder Pechiney en Aldel. Verder wordt energiebesparing van de industrie verwacht.

Pronk legt het accent op maatregelen die politiek en maatschappelijk niet te gevoelig liggen om verzekerd te zijn van succes.

De maatregelen die wel `gevoelig' liggen, zoals afschaffing van fiscale begunstiging van woon-werkverkeer, belasting vermindering van zuinige auto's en het rekeningrijden dragen stuk voor stuk maar mondjesmaat bij aan het klimaatbeleid.

Pronk heeft verlaging van de maximumsnelheid op autowegen als optie laten vallen. Wel zal de gemiddelde snelheid dalen door intensievere snelheidscontrole.

De nota zwijgt over intoming van het vliegverkeer en het langer openhouden van kerncentrale Borssele.

ACHTERGRONDpagina 23