Ik moet zoveel techniek leren

Op het gebied van telecommunicatie geldt ook voor Afrikaanse landen dat er geliberaliseerd moet worden. Dat kan op verschillende manieren, zoals blijkt in gevallen van Oeganda, Kenia en Tanzania. Maar overal wordt het tempo bepaald door de snel voortschrij- dende techniek.

Liberalisering, van de telecomsector in het bijzonder, wordt dezer jaren in brede kring gezien als wondermiddel voor vastgelopen economieën van arme landen. De breedte van de kring wordt mede bepaald door de compromisloze opstelling van de Wereldbank, die aan grootschalige hulp de voorwaarde verbindt dat staatsmonopolies op telecommunicatie worden opengebroken.

Het achterliggende idee was tien jaar geleden nieuw, vijf jaar geleden nog excentriek, en nu wijd geaccepteerd: een goede telecommunicatieinfrastructuur is voor ontwikkelingslanden geen luxe, maar een absolute voorwaarde voor economische groei. Telecommunicatie, Internet voorop, moet in brede lagen van de maatschappij beschikbaar komen. Dat kan alleen als de tarieven kelderen; en dat kan alleen als staatsmonopolies worden ontmanteld.

Oost-Afrika biedt van deze trend een paar aardige voorbeelden: Oeganda ging al een paar jaar geleden door de bocht. Tanzania is bezig, maar wat voorzichtiger. En William Ole Ntimama, sinds vorig jaar

Kenia's minister van Transport en Communicatie (en een van de twee Masai in het Keniaanse kabinet), stelt met gevoel voor understatement: ,,We lagen inderdaad een beetje achter op Oeganda en Tanzania.''

In Kenia is telecommunicatie vrijwel geheel een staatsmonopolie. Zo is Kenya Post and Telecommunications Corporation (KPTC) de enige aanbieder van cellulaire telefonie. Terwijl menige modale Oegandees telefonerend over straat gaat (althans in de hoofdstad en een paar provinciesteden) en ook in Tanzania de GSM-tarieven duikelen nadat er een tweede aanbieder werd toegelaten, is mobiel telefoneren in Kenia iets voor de rijken, want een staatsmonopolie. En buitenlandse bedrijven in Kenia die een eigen satellietverbinding met hun thuisbasis willen, lopen tegen een ondoordringbare muur van ambtenarij. Officieel is er niets tegen, in de praktijk is KPTC doodsbenauwd voor derving van revenuen. Om het allemaal moeilijker te maken heeft KPTC noch het ministerie van Telecommunicatie een bureau waar je kunt aankloppen voor een vergunning.

Maar dat gaat dus allemaal drastisch veranderen. Een nieuwe telecomwet passeerde in oktober 1998 het parlement, president Moi fiatteerde hem al, en de minister van Telecommunicatie heeft officieel tot oktober 2000 de tijd om de wet te effectueren. ,,We gaan Oeganda en Tanzania inhalen'', stelt hij vrolijk, zoals hij bijna alles stelt. ,,En we leren van hun fouten. Kenia is vastbesloten, de politieke wil is er.'' Dat behalve de Wereldbank ook de snel voortschrijdende techniek impulsen gaf, lijkt hij te beamen: ,,Satellietcommunicatie zal de komende jaren zeer belangrijk worden, of we nu vergunningen afgeven of niet. Wat de ruimte in wordt geschoten kunnen wij onmogelijk controleren. Hahahaha!'' Vervolgens lijkt hij rechtstreeks te citeren uit de Wereldbankcatechismus: ,,Met liberalisatie moedigen we competitie aan. Anders heeft de klant geen keus en dat willen we juist wel. En door competitie gaan de tarieven omlaag.''

Maar Ntimama gelooft niet in complete liberalisering: zeker in Afrika ligt het optimum ergens tussen monopolie en vrijheid. Het staat niet met zoveel woorden in de wet, maar in Kenia moet ten minste zeventig procent van iedere telecomonderneming met binnenlands kapitaal worden gefinancierd. Ntimama: ,,In Oeganda had ik het erover met mijn collega en met president Museveni. Zij zeiden: `We zijn eigenlijk helemaal niet geïnteresseerd in percentages Oegandees kapitaal, als er maar investeerders komen die kunnen zorgen voor infrastructuur en banen.' Dat is dus een andere benadering, in Kenia willen we meer controle.'' Hij pauzeert een moment en vult zichzelf aan: ,,Maar dat kan natuurlijk veranderen, afhankelijk van de gesprekken met buitenlandse investeerders. We gaan ons best doen het land te verkopen en om voor investeerders een zo prettig mogelijk klimaat te scheppen.''

Al die gesprekken behelzen ook ingrijpende technische keuzes, en Ntimama is er niet blij mee: ,,Ik word geacht politiek te bedrijven, maar intussen moet ik zoveel techniek leren! Het verandert allemaal zo razendsnel. Wat twee jaar geleden heel bruikbaar leek, is dat niet langer. Moet alle apparatuur weer worden vervangen. Daar komt nog bij dat de huidige Afrikaanse plannen om telecommunicatie beter te reguleren en de nationale veiligheid te verhogen, compleet worden opgeblazen door de ontwikkelingen in de satellietcommunicatie.''

Ntimama's vorige post was minister van Lokaal Bestuur en nu is het een van zijn topprioriteiten dat iedere Keniaan een telefoon op loopafstand krijgt, wat bij de huidige dichtheid van de infrastructuur (8 telefoons per 1000 inwoners) een langetermijnproject mag heten. Kleinschalige collectieve telecomcentra (vaak telecenters genoemd) in de wat grotere plattelandsplaatsen krijgen daarin een cruciale rol. Met onverholen enthousiasme schetst Ntimama hoe KPTC de telecentra zal installeren en hoe de centra in een later stadium kunnen verzelfstandigen dankzij de eigen revenuen. Nadrukkelijk: ,,Zéér interessant, die telecentra. En goedkoop!''

Cruciaal aspect van liberalisering is het al dan niet toelaten van VSAT's (very small aperture terminals), ofwel kleinschalige apparatuur voor tweeweg satellietcommunicatie. Voor veel buitenlandse bedrijven is telecommunicatie zo essentieel dat een Afrikaanse vestiging alleen tot de mogelijkheden behoort als ze met een VSAT de gebrekkige plaatselijke telecominfrastructuur mogen passeren. In Oeganda en Tanzania staan honderden VSAT's op bedrijfsgebouwen, maar niet in Kenia. Nog niet.

Davis Chirchir is KPTC's hoofdmanager voor Information Technology and Change Management en een van de hoofdverantwoordelijken voor het in drieën splitsen van zijn werkgever: een postbedrijf, Kenya Telecoms Ltd. (KTL), en een Communications Commission of Kenya (CCK) waar je terecht kunt voor, bijvoorbeeld, een VSAT-vergunning.

In sommige andere arme landen hebben idioot hoge vergunningstarieven van telecomliberalisering een wassen neus gemaakt, maar Kenia zal zich niet in die rij aansluiten. Volgens Ntimama zal de CCK wel iets gaan berekenen voor een VSAT-vergunning, maar alleen om zelfbedruipend te kunnen zijn.

Chirchir beaamt dat: ,,Daarbovenop willen we geen inkomsten. Het gaat erom dat we op één lijn komen met de tarieven in andere landen, anders werkt het openen van de markt niet goed.''

Dat ziet er hoopvol uit, maar dan vervolgt hij: ,,Alleen zullen we sommige delen van de markt niet direct opengooien. Zodra KTL een feit is, moet er een strategische investeerder binnen KTL aan het werk kunnen; en om dat aantrekkelijk te maken willen we de markt een tijdje vasthouden, onder meer voor internationale telefonie en VSAT's.''

Toch weer monopolies dus, zij het tijdelijk? ,,Ja. Daarbij speelt ook dat een tweede speler, naast KTL dus, probleemloos moet kunnen doorschakelen van hun infrastructuur naar de onze, en andersom, en dat je precies kunt berekenen wie hoeveel schuldig is aan wie. Daarvoor is een netwerk van tolschakelingen nodig, en daar werken we nu aan.''

Dat is in Oeganda bepaald anders, niet in de laatste plaats omdat daar veel minder geld is. Wel moeten buitenlandse investeerders zich meer dan in Kenia inspannen om onredendabele gebieden te bedienen. In een uiterst Westers aandoend gebouw in Kampala zetelt sinds een jaar het Zuid-Afrikaanse MTN, dat in oktober 1998 Oeganda's tweede GSM-aanbieder werd. Het zelfgenoegzame CelTel (sinds juni 1995; alleen in Kampala en het nabijgelegen Jinja) werd tot dramatische prijsverlagingen gedwongen en was met 13.000 abonnees binnen een maand ingehaald door MTN. De Britse MTN-voorlichtster Nicole Brown (ex-Shell) laat een kaart zien die over MTN's plannen met Oeganda geen twijfel laat bestaan: alsof er een tapijt wordt gelegd. ,,We hebben een Afrikaans roll out plan'', bekent ze. ,,Nu zitten we hier, in Rwanda en Swaziland. We willen naar zoveel mogelijk Afrikaanse landen, vooropgesteld dat de telecomsector er is opengegooid.''

PR-retoriek of gemeend – Brown bezingt zonder voorbehoud de zegeningen van telefonie voor de gewone Afrikaan. ,,MTN dringt in de hele maatschappij door'', garandeert ze, ,,en dat is geweldig om te zien. Gisteren was ik bij een metaalbewerkingsbedrijfje buiten de stad, en daar hadden ze een MTN-telefoon om met hun klanten in contact te blijven. Voor een gewone lijn van de Oegandese PTT moet je eindeloos wachten of veel smeergeld betalen. Wij maken telefonie betaalbaar voor een compleet nieuw marktsegment. Het is een heerlijke bedrijfstak!''

Minstens zo heerlijk vindt marketing manager Erik van Veen de mogelijkheid om klanten vooruit te laten betalen. MTN-beltegoedkaarten zijn nu op een paar honderd verkooppunten te koop. Dat werkt in Afrika beter dan rekeningen rondsturen en betaald zien te krijgen. Het gros van de potentiële klanten heeft geen bankrekening, om maar eens een probleem te noemen. Van Veen: ,,Aansluitend hebben we een manier ontwikkeld voor privé-gebruik van publieke MTN-telefoons. Je stopt er een beltegoedkaart in en je persoonlijke SIM-kaart, waarna je je eigen voice mail kunt beluisteren. Dit systeem is echt voor iedereen te betalen. Ik geloof hier heilig in.''

Als voorbeeld van hoe het niet moet, citeert hij een afgekeurde tekst die een externe consultant schreef voor aanstaande Nigeriaanse MTN-klanten: ,,Als klant van MTN Nigeria wordt u lid van een eliteclub van mensen die zich het allerbeste kunnen veroorloven. Uw VIP-status zal worden bevestigd door de kwaliteit van MTN.''

De 70 miljoen dollar van MTN Oeganda werd voor twintig procent aangedragen door twee binnenlandse investeerders. Daarnaast heeft het Zweedse Telia een aandeel van dertig procent. Anders gezegd: als het zo'n succes blijft als het nu is, was Oeganda er beter van geworden indien er meer Oegandees geld in het MTN-netwerk was gestoken. MTN Oeganda streeft naar een kwart miljoen draadloze aansluitingen (mobiel en vast) in 2007, en heeft ook verplichtingen de arme delen van het land te bedienen – maar mag weer zelf bepalen welke arme delen precies. Vermoedelijk de wat rijkere.

In Dar-es-Salaam klaagt Steve Mworia, tweede man van de Kamer van Koophandel van Tanzania, dat de regering wel allerlei licenties geeft, maar niet de moeite nam eerst een goede politiek op te stellen. Datel, de semi-overheidsinstelling voor VSAT's, concentreert zich volgens Mworia veel te veel op de grote ondernemingen (vooral buitenlandse bedrijven en Tanzaniaanse Internet service providers); beter zouden ze zich kunnen inzetten voor een kant-en-klaar, landelijk VSAT-netwerk waarvan ieder klein of groot bedrijf (of school, of NGO, of wat dan ook) gebruik zou kunnen maken. Over het opzetten van zo'n netwerk wordt al lang gesproken, maar het had ook gewoon deel van de opdracht aan Datel kunnen zijn. En het uitgeven van GSM-licenties gebeurde in Tanzania voor het hele land in één keer. Dus de GSM-bedrijven concentreren zich op de grote plaatsen. Mworia: ,,Die vergunningen hadden gegeven moeten worden per gebied. Als je nu even buiten Moshi bent kun je niet bellen. Mobiele telefonie heet dat dan!''

Het zijn geen terloopse opmerkingen: ,,Telecommunicatie is niet zomaar belangrijk – het is extreem belangrijk. Het alternatief is dat mensen voortdurend heen en weer reizen om informatie te brengen en te halen, en dat is zeer kostbaar. Die les hebben we in dit land langs de harde weg geleerd.''