Het zwaard valt al in de eerste minuut

Voor operazangers in opleiding is de aansluiting op de harde beroepspraktijk `abominabel'. Oorzaak: het niveau van de Nederlandse conservatoria is bedroevend laag.

BIJ DE OPERA Studio Nederland, in het centrum van Amsterdam, kun je vanaf de straat de zangcoach al tegen zijn studenten horen tieren door het open raam. Binnen werkt leraar Mikael Eliasen met mezzosopraan Martine Straesser geconcentreerd aan een aria uit Rossini's l'Italiana in Algeri. Keer op keer wordt ze onderbroken om nuances in de interpretatie te verbeteren. ,,Hier kun je verkrampt, geconstipeerd geluid maken, of je kunt open zingen'', roept Eliasen na de zoveelste onderbreking.

Het verschil in sfeer met de operaklas aan het conservatorium in Amsterdam is groot. Daar wordt met een groepje van zo'n twintig studenten gewerkt aan een opvoering van de vroege barok-opera La Dafne van Da Gagliano. De werkwijze is ontspannen. Leerlingen drinken zoethout-thee en maken grappen met elkaar. Er wordt gelachen als de mobiele telefoon van dirigent Mike Fentross middenin de repetitie afgaat. Als een leerling haar tekst kwijt is, wordt het vriendelijk voorgezegd. Niemand verheft zijn stem.

Het is een sfeerverschil dat symbolisch is voor de kloof tussen het opera-onderwijs aan de Nederlandse conservatoria en de harde praktijk waarmee de studenten als operazangers te maken krijgen. ,,De aansluiting tussen de opleidingen en de beroepspraktijk is abominabel'', stelt directeur Hans Nieuwenhuis van Opera Studio Nederland.

Ook Peter de Caluwe, verantwoordelijk voor de casting van dirigenten en zangers bij De Nederlandse Opera, is kritisch: ,,Bij 95 procent van de jonge zangers is de kloof met de beroepspraktijk inderdaad te groot. Het niveau dat door de conservatoria wordt afgeleverd is bedroevend laag.'' De Opera Studio Nederland heeft de taak die kloof te overbruggen. De studio is in het gat gestapt dat na 1986 ontstond, toen bij een bezuinigingsoperatie de oude Opera Studio werd opgeheven. Die oude studio was gelieerd aan de Nederlandse Operastichting, de voorloper van De Nederlandse Opera. Drie jaar konden jonge zangers meelopen bij een echt operabedrijf. Bij de huidige Opera Studio zijn de vier Nederlandse operabedrijven – De Nederlandse Opera, Opera Zuid, De Nationale Reisopera en de Hoofdstad Operette – nauw betrokken, maar de opleiding is zelfstandig. Wie door de zware audities heenkomt (Nieuwenhuis: ,,Vaak valt het zwaard al in de eerste minuut'') krijgt een jaar lang een maandstipendium van 2.800 gulden bruto en lessen zangcoaching, bewegingstraining, acteren, dans en Italiaanse, Franse en Duitse grammatica en uitspraak.

Bij een carrière als operazanger komt meer kijken dan zangtalent alleen: fysieke conditie, sociale vaardigheden, carrièreplanning en psychologisch incasseringsvermogen zijn bijna even belangrijk. Van de 150 tot 200 zangers die zich per jaar bij de studio aanmelden, worden er zes aangenomen van wie gemiddeld vier Nederlanders. Op de conservatoria valt te beluisteren dat Nederlandse zangers moeilijk aan de bak komen, omdat de operabedrijven in Nederland een voorkeur zouden hebben voor buitenlandse zangers. Onzin, volgens Nieuwenhuis. ,,De operabedrijven werken graag met Nederlanders. Al was het maar wegens de kosten, want je hoeft ze niet in te vliegen en in een hotel onder te brengen. Als Nederlandse zangers geen kans krijgen, ligt dat aan het niveau van hun opleiding.''

Nederland telt op het moment elf conservatoria. Hoeveel studenten zang er zijn, is niet bekend. De HBO-raad registreert alleen hoeveel musici er in totaal per jaar worden opgeleid. Dat waren er in 1998 maar liefst 4.932. Wie zich als zanger wil specialiseren in opera kan op verschillende paatsen terecht. De conservatoria van Utrecht en Maastricht bieden een specialisatierichting opera aan. Maar alleen de conservatoria van Den Haag en Amsterdam, die sinds drie jaar samenwerken in de Nieuwe Opera Academie, hebben gezamenlijk een officeel erkende en door het ministerie van OCW gesubsidieerde tweejarige opera-opleiding.

Op de Nieuwe Opera Academie worden per jaar gemiddeld vijf studenten opgeleid. In twee jaar worden vier operaproducties op de planken gebracht. Dat is kostbaar. ,,Het kost gemiddeld 15.000 gulden per student per jaar om een musicus op te leiden, maar een student opera kost 70.000 gulden per jaar'', vertelt directeur Lucas Vis van het Amsterdams conservatorium. In de eerste jaren van de academie verliep de samenwerking tussen Den Haag en Amsterdam niet direct soepel, waardoor een flink aantal studenten de opleiding voortijdig verliet. De Schotse tenor Alexander Oliver die in augustus aantreedt als artistiek leider van de academie, heeft als opdracht de aansluiting met de internationale freelance-markt voor operazangers te verbeteren.

Volgens de operabedrijven wordt op de conservatoria simpelweg te weinig tijd besteed aan zangles. De Caluwe van De Nederlandse Opera: ,,Een danser is dagelijks bezig met zijn lichaam, maar in Nederland zijn zangers niet dagelijks bezig met hun stem.'' Ook het combineren van acteren en zingen blijkt voor veel studenten een probleem. Nieuwenhuis: ,,Staan en zingen, dat gaat nog wel. Maar o wee, als ze aan de wandel gaan. Alle aandacht gaat uit naar het technische apparaat dat het geluid produceert en dan is er geen tijd meer om te acteren. Terwijl de meeste operahuizen tegenwoordig geleid worden door regisseurs en niet door dirigenten. De tijd dat je in een chique jurk kon brullen op de middenstip is echt voorbij.''

Gabriel Javier López Piñon, coördinator van De Nieuwe Opera Academie, erkent dat er een kloof bestaat tussen opleiding en praktijk. Hij wijt de problemen aan het Nederlandse onderwijssysteem. ,,Het is in principe voor iedereen toegankelijk. Dat is een groot goed, maar je werkt eerder voor de middelmaat dan voor de top.''

Conservatoriumdirecteur Vis zoekt de oorzaak in de stevige bezuinigingen op het muziek onderwijs en in het voortraject. ,,Op de lagere scholen wordt nauwelijks meer gezongen en het muziekonderwijs is over het algemeen ronduit slecht.''

Nieuwenhuis adviseert jonge zangers een vervolgopleiding in het buitenland te doen of aan de slag te gaan bij een klein operahuis in Duitsland of Oostenrijk. Voor wie uiteindelijk een plaats aan de opera weet te veroveren, valt overigens goed te verdienen. Jonge zangers kunnen tussen de 2.000 en 3.000 gulden per avond verdienen. Nieuwenhuis: ,,Maar ze vergeten wel eens dat op de ene heldendaad steeds de andere moet volgen. Want als je een paar keer slecht zingt, ben je in dit vak al weg. We zien meer sterren verdwijnen dan verschijnen.''

Niet alle studenten in de operaklas aan het Amsterdamse conservatorium zijn bereid om alles opzij te zetten voor een loopbaan in de bikkelharde operawereld. ,,Het hoeft wat mij betreft niet koste wat het kost', zegt mezzosopraan Liesbeth van der Loop. De jonge sopraan Machteld Vennevertloo, tweedejaars op de Nieuwe Opera Academie, heeft die ambitie wel. ,,Zingen en spelen, dat blijft voor mij het mooiste wat er is.''