GESCHIEDENIS

`Geschiedenis van de Opera' heet het fraai geïllustreerde operaboek van Richard Somerset-Ward. Al lijkt de titel wat saai en vanzelfsprekend, het boek is eigenlijk uniek, want een toegankelijk geschreven complete geschiedenis van vier eeuwen opera bestaat er verder niet, zeker niet in Nederlandse vertaling.

Vroeger begon in veel operaboeken de geschiedenis van de opera bij Orfeo ed Euridice (1760) van Gluck. Dat was dan ook lange tijd, zeker voor de Tweede Wereldoorlog, de oudste opera die in de praktijk werd opgevoerd. Daarna kwam een beperkte selectie uit het werk van Mozart uit de jaren 1780-1791. Verreweg het meest ijzeren operarepertoire kwam uit de negentiende eeuw, vooral uit Italië, Frankrijk en Duitsland met daarnaast nog de grote Russische opera Boris Godoenov en de vroeg-20ste-eeuwse stukken van Richard Strauss.

Tegenwoordig is dat allemaal anders. Het werk van Claudio Monteverdi (1567-1643) wordt weer uitgevoerd en de vroeger zo obscure componist wordt nu niet alleen gezien als de eerste belangrijke operacomponist, maar ook als een van de allergrootsten aller tijden. Opera's van Händel (1685-1759) en vele andere 18de-eeuwse componisten mogen weer klinken, net als stemmen van countertenoren. Zij zijn voor een deel een eigentijdse vervanging voor de castraten, die vroeger de show stalen met hun virtuoze stemmen. Niet de sopraan met haar zielige rol stond op de voorgrond, maar de onwaarschijnlijk hoog zingende man glorieerde in een rol als een bijna goddelijke Ceasar.

In de operaboeken werden castraten geridiculiseerd en las men slechts een enkele opmerking over oudere opera's. Daarover kwam de liefhebber nauwelijks meer te weten dan al stond in het dunne boekje `Opera before Mozart' (1966) van Michael Robinson. Tegenwoordig is de geschiedenis van de opera meer dan anderhalve eeuw langer, maar toch gaan de meeste operaboeken nog steeds niet gedetailleerd in op het ontstaan en de vroegste geschiedenis van de opera. En hoewel de kunstvorm `opera' vorig jaar het 400-jarige jubileum vierde, leeft de vroege geschiedenis van de opera nog steeds onvoldoende en ontbreekt gegronde kennis daarvan bij veel operamakers èn operaliefhebbers.

`Geschiedenis van de Opera' begint gewoon bij het begin van de opera, in 1598 in Florence. Het was het einde van de Renaissance, de wedergeboorte in Italië van de antieke Griekse cultuur. Architectuur, beeldhouwkunst en schilderkunst waren al vernieuwd door terug te gaan naar de bron van de Europese beschaving. Nu resteerde het Griekse drama, waarvan men toen aannam dat het in zijn geheel werd gezongen. Daarom streefde het kunstenaarsgezelschap Camerata naar de ontwikkeling van het gezongen muziektheater met Grieks-mythologische onderwerpen.

De zanger Jacopo Peri schreef recitatiefachtige muziek bij het dramatische gedicht Dafne van Ottavio Rinuccini. Het werk werd in februari 1598 opgevoerd in het huis van Jacopo Corsi in Florence en dat was de eerste operavoorstelling. Het genre berust dus op een misverstand, want later kwam vast te staan dat het antieke Griekse drama slechts gedeeltelijk werd gezongen. Maar er was kennelijk grote behoefte aan gezongen drama en opera werd snel populair, vooral in Venetië.

Richard Somerset-Ward behandelt verder op prettige en degelijke, maar niet puur-wetenschappelijke wijze de ontwikkeling van de opera gedurende vier eeuwen tot het einde van de 20ste eeuw. Nu is opera behalve in het theater ook veelal massaal vermaak, te zien in stadions, via tv en video, te horen via cd, deels ook nog gepopulariseerd door de `Drie tenoren'.

Richard Somerset–Ward, Geschiedenis van de Opera. Uitg. Thoth Bussum. 302 pagina's, geïll. Prijs 124,50 gulden.